Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.3
5.3 Inventarisatie van wettelijke grondslagen
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS594988:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MvA I, PG Verzekeringsrecht, p. 23.
Bestuurders- en Commissarissen Aansprakelijkheid: een verzekering ter dekking van de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen.
Verzekering ter dekking van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop een werknemer wettelijk recht heeft en 70% van zijn laatstverdiende loon.
Van Tiggele-Van der Velde 2011a, par. 3.3. In gelijke zin: Van Tiggele-Van der Velde 2011b, p. 244.
Van Tiggele-Van der Velde 2011a, par. 3.3. In gelijke zin: Van Tiggele-Van der Velde 2011b, p. 243.
En de equivalenten daarvan bij bijzondere overeenkomsten, zoals art. 7:219 BW (huur), 7:462 BW (geneeskundige behandeling), 7:507 lid 2 BW (reisovereenkomst), 7:603 lid 3 BW (bewaarneming) en 7:751 BW (aanneming van werk).
Vgl. (maar dan voor een geval van aansprakelijkheid op grond van art. 6:170 BW) Rb Utrecht 5 oktober 2005, NJF 2006/63 (Gerling/Goudse Lasconstructie).
106. Hoewel dus een algemene wettelijke regel ontbreekt, bestaan wel wettelijke grondslagen voor de toerekening van kennis van functionarissen aan de rechtspersoon in specifieke gevallen. Naast art. 3:66 lid 2 BW, dat in het volgende hoofdstuk uitgebreid aan de orde zal komen, bestaan er twee rechtstreekse wettelijke grondslagen.
De eerste is art. 7:762 BW: verzwijging door degenen die de aannemer met de leiding over de uitvoering van het werk heeft belast, wordt gelijkgesteld met verzwijging door de aannemer. Dit artikel behandel ik in par. 7.12.12, nu het nauw gelieerd is aan de jurisprudentie over de toelaatbaarheid van exoneraties die daar aan de orde komt.
De tweede is art. 7:928 lid 2 BW: indien een verzekering de belangen van een derde dekt, omvat de mededelingsplicht van de verzekeringnemer aan de verzekeraar mede feiten die deze derde betreffen en die hij kent of behoort te kennen, en waarvan naar deze derde weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel merkte de minister op dat uit deze bepaling volgt dat, ongeacht de eigen wetenschap van de verzekeringnemer, de geobjectiveerde wetenschap van de derde aan hem wordt toegerekend.1 Ook een functionaris van de rechtspersoon kan zo’n derde zijn, hoewel functionarissen niet vaak zelf als verzekerde zullen gelden onder de polis. Zo hebben werknemers van een werkgever die een bedrijfsongevallenverzekering heeft afgesloten, doorgaans niet zelf een aanspraak op de verzekeraar; de verzekering dekt de aanspraken van de werknemers op de werkgever. Wel een rechtstreekse aanspraak biedt de BCA-verzekering aan bestuurders en commissarissen2 van de rechtspersoon. Ook werknemers voor wie de rechtspersoon een WGA-hiaatverzekering3 heeft afgesloten, hebben een rechtstreekse aanspraak op de verzekeraar. Over art. 7:928 lid 2 BW is vrijwel geen literatuur of jurisprudentie beschikbaar. Volgens Van Tiggele-Van der Velde brengt deze bepaling mee dat de verzekeringnemer in het kader van een zorgvuldige invulling van zijn mededelingsplicht ter zake van ‘derde-risico’s’ tenminste de mee te verzekeren bekende derden er tijdig van op de hoogte moet brengen dat hij bezig is om een ook voor hen wezenlijke verzekering te sluiten, opdat die derden hem kunnen informeren over relevante feiten.4 Literatuur en jurisprudentie over hoe ver deze plicht gaat, ontbreken. Van Tiggele-Van der Velde wijst op bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen die een moedermaatschappij sluit voor alle groepsvennootschappen wereldwijd. Zij acht een mededelingsplicht ter zake van alle feiten en omstandigheden die een op een masterpolis mee te verzekeren dochtermaatschappij kent of behoort te kennen en waarvan die dochter weet of behoort te begrijpen dat de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen, weinig reëel. Zij wijst erop dat een grote verzekeringsmakelaar die optreedt ten behoeve van verzekeringnemers, standaard de toepasselijkheid van art. 7:928 lid 2 BW contractueel uitsluit.5
107. Een indirecte wettelijke grondslag voor kennistoerekening vormt art. 6:76 BW6 inzake de contractuele aansprakelijkheid voor hulppersonen. Gedragingen zullen soms pas aanleiding geven tot aansprakelijkheid indien zij zijn verricht met een bepaalde wetenschap. Neem als voorbeeld een lasser die in dienst is van een lasbedrijf en bij zijn werkzaamheden brand veroorzaakt in een loods van de opdrachtgever. Indien de lasser niet weet of behoort te weten dat brandbare materialen in de loods aanwezig zijn, dan zal het veroorzaken van brand mogelijk geen toerekenbare tekortkoming vormen. Weet de lasser dit echter wel, dan is zijn werkgever daarvoor jegens de opdrachtgever aansprakelijk op grond van art. 6:76 BW.7 In dergelijke gevallen wordt kennis ‘in het kielzog’ van de gedraging toegerekend aan de rechtspersoon.