Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.2:5.2 Het verbazingwekkende gebrek aan wettelijke grondslagen
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.2
5.2 Het verbazingwekkende gebrek aan wettelijke grondslagen
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS599649:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6:76 BW is een van de wetsbepalingen waarop art. 6:75 BW doelt met ‘krachtens wet’; zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2016/346 en Caufman & Croes, GS Verbintenissenrecht, art. 6:75 BW, aant. 6.1 (bijgewerkt tot 5 oktober 2015).
Zie over de toerekening van andere feitelijke handelingen ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/92.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
104. Op het eerste gezicht is het gek: in een groot deel van de gevallen waarin functionarissen taken vervullen voor een rechtspersoon, bestaat geen wettelijke grondslag voor de toerekening van hun kennis aan die rechtspersoon. Voor functionarissen die op basis van een volmacht rechtshandelingen verrichten voor de rechtspersoon is er art. 3:66 lid 2 BW. Daarvan bestaat echter geen equivalent voor functionarissen die betrokken zijn bij de totstandkoming of uitvoering van overeenkomsten, of voor functionarissen wier kennis relevant is voor iets anders dan een rechtshandeling. Het gebrek aan wettelijke grondslag verbaast, omdat het voor de rechtspositie van rechtspersonen in allerlei gevallen veel kan uitmaken of de kennis van een bepaalde functionaris wel of niet geldt als kennis van de rechtspersoon.
105. Voor de toerekening van handelingen van functionarissen bestaan wel diverse wettelijke grondslagen. Voor rechtshandelingen zijn dit ten eerste art. 2:45 BW, 2:53a BW jo 2:45 BW, 2:130 BW, 2:240 BW en 2:292 BW, die de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders van de onderscheiden rechtspersonen regelen. Toerekening van rechtshandelingen van gevolmachtigden en pseudogevolmachtigden van rechtspersonen geschiedt op basis van art. 3:66 lid 1 BWresp. 3:61 lid 2 BW. De risicotoedeling bij feitelijke handelingen is neergelegd in de bepalingen over risicoaansprakelijkheid. Gedragingen van functionarissen bij de uitvoering van een overeenkomst worden aan de rechtspersoon toegerekend op grond van art. 6:76 BW.1 Onrechtmatige gedragingen van ondergeschikte functionarissen worden niet toegerekend aan de rechtspersoon (in de zin van art. 6:162 lid 3 BW). Wel is de rechtspersoon voor toerekenbare onrechtmatige gedragingen van ondergeschikten aansprakelijk op grond van art. 6:170 BW. Voornoemde wetsbepalingen bevatten concrete criteria die afbakenen in welke situatie de gedraging van een functionaris wel aan de rechtspersoon wordt toegerekend en in welke niet, dan wel (bij art. 6:170 BW) in welke situatie de rechtspersoon aansprakelijk is voor schade die de functionaris heeft veroorzaakt.
Voor diverse andere feitelijke handelingen – die een ander rechtsgevolg hebben dan de aansprakelijkheid voor geleden schade – ontbreekt een wettelijke toerekeningsgrond echter evenzeer als voor kennis.2 Zo ligt niet vast wiens bedrieglijk handelen geldt als bedrog gepleegd door de rechtspersoon (art. 3:44 lid 3 BW); wiens handelen geldt als het misbruik maken van omstandigheden door de rechtspersoon (art. 3:44 lid 4 BW); wiens handelen geldt als klagen door de rechtspersoon (art. 6:89 en 7:23 BW); wiens handelen geldt als een mededeling van de rechtspersoon waaruit de schuldeiser moet afleiden dat de rechtspersoon in de nakoming zal tekortschieten (art. 6:80 lid 1 sub b BW); wiens gedraging geldt als een gedraging van de rechtspersoon waaraan de wederpartij een bepaalde zin mag toekennen (art. 3:35 BW); of aan wie een mededeling moet zijn toegekomen om te kunnen gelden als mededeling die de rechtspersoon heeft ‘bereikt’ (art. 3:37 lid 1 en 3 BW). In dat licht wekt het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen minder verbazing. Het lijkt overigens geen bewuste keuze van de wetgever te zijn geweest om deze kwesties over te laten aan de rechtspraak; in de parlementaire geschiedenis van deze bepalingen komt deze problematiek eenvoudigweg niet aan de orde.