Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.8:5.8 Conclusie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.8
5.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS601927:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
135. Voor de toerekening van interne kennis aan rechtspersonen bestaat geen wettelijke grondslag, op een enkele uitzondering na, waarvan art. 3:66 lid 2 BW de belangrijkste is. Bij gebrek aan wettelijke grondslagen is de heersende leer, in lijn met jurisprudentie van de Hoge Raad, dat deze toerekening dient te geschieden aan de hand van het Babbel-criterium. De verkeersopvattingen, waaraan het Babbel-criterium refereert, vormen mijns inziens de juiste maatstaf voor de toerekening van interne kennis aan rechtspersonen. Deze maatstaf doet recht aan (en omvat mede) de opvattingen die in de maatschappij leven over hoe rechtspersonen dienen te functioneren en aan hetgeen geëist wordt door de redelijkheid en billijkheid. De verkeersopvattingen hangen nauw samen met de omstandigheden van het geval en vormen een objectieve maatstaf: zij hangen niet af van het perspectief van één specifieke wederpartij.
In gevallen waarin de wederpartij de rechtspersoon met bepaalde informatie bekend vertrouwde omdat de wederpartij wist dat een functionaris van de rechtspersoon over die informatie beschikte (‘vertrouwensgevallen’), volstaat deze maatstaf niet. Of de rechtspersoon als wetend geldt, dat wil zeggen: of het rechtsgevolg intreedt dat de toepasselijke norm aan wetenschap verbindt, hangt dan af van het antwoord op de vraag welk vertrouwen van de wederpartij gerechtvaardigd was. Dat wordt bepaald door de verkeersopvattingen, aangevuld met een weging van de omstandigheden die deze specifieke wederpartij betreffen, zoals haar deskundigheid en de verwachtingen die specifiek jegens haar zijn gewekt. De Hoge Raad maakt naar mijn mening in Los Gauchos, Idee 2 en Ontvanger/Voorsluijs onvoldoende onderscheid tussen de verkeersopvattingen en het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij.
Ik vind de verkeersopvattingen dus de juiste maatstaf voor toerekening van kennis. Daarmee is nog niets gezegd over hoe de verkeersopvattingen in een concreet geval luiden of hoe die moeten worden vastgesteld. Soms zal een uitdrukkelijke weging van meerdere omstandigheden nodig zijn. Het hanteren van de verkeersopvattingen als maatstaf sluit echter niet uit dat regels worden geformuleerd die een dergelijke weging – en de bijbehorende uitgebreide motivering door de rechter – in bepaalde gevallen overbodig maakt.