Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.1:5.1 Inleiding
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.1
5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS597340:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 april 1979, NJ 1980/34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
103. Voor het toerekenen van kennis van functionarissen aan de rechtspersoon bestaat maar in beperkte mate een wettelijke grondslag. De rechter is veelal aangewezen op ongeschreven recht, in het bijzonder op het Babbelcriterium. De rechter moet dan beoordelen of de kennis van de functionaris in de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon.
Dit hoofdstuk plaatst dit gemis aan wettelijke grondslagen eerst in breder perspectief: ik constateer dat ook de toerekening van veel gedragingen aan rechtspersonen een wettelijke grondslag ontbeert (par. 5.2). Ik inventariseer vervolgens welke wettelijke grondslagen wél bestaan voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen in specifieke gevallen (par. 5.3). Partijen kunnen daarnaast ook onderling afspreken wiens kennis mag worden gezien als die van één van hen (par. 5.4). Vanaf par. 5.5 ga ik in op de grondslag die de Hoge Raad in meerdere arresten heeft gegeven voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen, te weten de verkeersopvattingen. Deze grondslag komt tot uitdrukking in het Babbel-criterium. Aan de hand daarvan moet, volgens meerdere arresten van de Hoge Raad, worden bepaald welke kennis de rechtspersoon heeft. Het Babbel-criterium,genoemd naar het arrest Kleuterschool Babbel,1 is oorspronkelijk ontwikkeld voor de toerekening van gedragingen aan de rechtspersoon in het kader van de vraag of de rechtspersoon onrechtmatig heeft gehandeld. Het heeft de plaats verdrongen van de voordien gehanteerde maatstaf, die centraal stelde of de functionaris in kwestie orgaan was van de rechtspersoon. De discussie tussen aanhangers van de klassieke theorieën over rechtspersoonlijkheid, de orgaanleer en de fictieleer, is grotendeels verstomd. In dit hoofdstuk komt kort aan de orde wat de implicaties van beide theorieën zijn voor de toerekening van kennis en hoe het Babbel-criterium tot ontwikkeling is gekomen. Par. 5.6 bevat een analyse van de betekenis van dit criterium voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen. In het bijzonder ga ik in op de spanning die bestaat tussen de inhoud van het Babbel-criterium en het doel dat de Hoge Raad met de hantering daarvan mede beoogt te bereiken, namelijk de bescherming van het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij.
Nu de ontwikkeling en invulling van het Babbel-criterium een typisch Nederlandse aangelegenheid is, bevat dit hoofdstuk weinig rechtsvergelijking. De criteria die in het Duitse recht gelden voor de toerekening van kennis komen voornamelijk aan de orde in de hoofdstukken 6, 7, 9 en 11.