Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/3.2.2.1
3.2.2.1 Redelijkheid en billijkheid
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS380104:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Voetnoten
Voetnoten
Rijken 1994, p. 5.
Hesselink 1999, p. 58-59.
Rijken 1994, p. 27-28.
HR 25 februari 2000, NJ 2000, 471.
HR 29 april 1983, NJ 1983, 627.
HR 20 januari 1989, NJ 1989, 322.
Deze formulering stamt uit het BW van vóór 1 januari 1992. Sinds 1 januari 1992 wordt de term ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ gehanteerd.
Vriend, GS Verbintenissenrecht, art. 6:2 BW, aant. 26 (online, laatst bijgewerkt op 1 november 2007).
HvJ EG 26 oktober 2006, ECLI:EU:C:2006:675, r.o. 38 (Mostaza Claro).
HvJ EU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341.
HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691 (Heesakkers/Voets).
Pavillon, TvC 2015/3, p. 129.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 20 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4330.
Hammerstein & Vranken 2003, p. 58-59.
Rijken 1994, p. 65.
De rechten en plichten die huurder en verhuurder jegens elkaar hebben, vloeien voort uit de huurovereenkomst, uit de hiervoor behandelde wettelijke bepalingen en uit het (ongeschreven) gewoonterecht. Het kan echter voorkomen dat een bepaalde situatie niet geregeld wordt door de overeenkomst, wet of gewoonte of dat de voor een bepaalde situatie geldende regel tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. In die gevallen spelen de eisen van redelijkheid en billijkheid een rol.
De basis voor de toepasselijkheid van de redelijkheid en billijkheid ligt in artikel 6:2 en 6:248 BW. Beide artikelen bevatten de zinsnede ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid’. Welke eisen dat zijn, staat niet concreet vast; het is een zogenoemde ‘open norm’. In artikel 3:12 BW wordt omschreven welke uitgangspunten gelden voor het – van geval tot geval – bepalen van deze eisen. De rechter moet rekening houden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken. Deze uitgangspunten hebben als doel de beoordeling van de redelijkheid en billijkheid te objectiveren. De rechter zal in zijn uitspraak moeten motiveren waarom hij in de gegeven omstandigheden meent dat de redelijkheid en billijkheid eisen dat tot het gegeven oordeel wordt gekomen.1 De objectivering van de maatstaf heeft ook tot gevolg dat de rechter bevoegd (en op grond van artikel 25 Rv zelfs verplicht) is om de redelijkheid en billijkheid ambtshalve toe te passen, uiteraard mits er voldoende feiten gesteld zijn om deze toepassing te kunnen dragen.2 De maatstaf verwijst immers naar ongeschreven objectief recht. Het ongeschreven objectieve recht is van openbare orde en moet daarom door de rechter ambtshalve worden toegepast.3
Hesselink onderscheidt in het Europese recht een drietal functies van de redelijkheid en billijkheid, te weten uitleg, aanvulling en correctie.4 De ‘uitlegfunctie’ (waarbij het gaat om uitleg van de overeenkomst, niet van de wet) is in de hiervoor aangehaalde wetsartikelen niet expliciet vastgelegd in het Nederlandse recht; de ‘aanvullingsfunctie’ en de ‘correctiefunctie’ wel.
De eerste leden van artikel 6:2 en 6:248 BW zien op de situatie dat een leemte in de tussen partijen geldende rechtsverhouding bestaat of ontstaat. Een leemte kan van meet af aan bestaan doordat een bepaalde situatie in het geheel niet is geregeld, of kan later ontstaan doordat een geldende regel niet langer van toepassing is, bijvoorbeeld omdat een van de partijen een beroep doet op de nietigheid van die regel of die regel vernietigt. De redelijkheid en billijkheid hebben dan de door Hesselink benoemde aanvullende werking: wat in de niet-geregelde situatie tussen partijen heeft te gelden, vloeit voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid. De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid leidt dan tot het aannemen tot een verbintenis of een bevoegdheid.5
Lid 2 van deze artikelen ziet in beide gevallen op de situatie dat voor een bepaalde situatie wel een regel geldt, maar die regel (in de gegeven omstandigheden) tot onaanvaardbare gevolgen leidt. De redelijkheid en billijkheid hebben dan een beperkende (of volgens de terminologie van Hesselink: corrigerende) werking: de regel blijft in dat geval buiten toepassing. Het is niet voldoende dat toepassing van een geldende regel ‘niet redelijk’ of ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’ is. Toepassing moet leiden tot onaanvaardbaarheid; ‘niet redelijk’ vormt een andere maatstaf, zo blijkt uit het arrest FNV/Maas.6
De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen niet alleen contractuele bepalingen en gewoonterecht opzij zetten, maar zelfs dwingende wetsbepalingen. Om dwingende bepalingen opzij te zetten, zal echter wel aan zware eisen moeten zijn voldaan, zo blijkt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1983 (Spruijt/Sperry Rand Holland)7 en diens beschikking van 20 januari 1989 (Wesselingh/Weisz).8 In beide gevallen betreft het geschillen over de opzegging van een huurovereenkomst. In de zaak die leidt tot het arrest Spruijt/Sperry Rand Holland heeft de huurder de dwingendrechtelijke opzegtermijn niet in acht genomen. Dit is voor de verhuurder aanleiding om zich tegen de opzegging te verzetten. De Hoge Raad overweegt dat de huurder zich kan verweren door te stellen dat het beroep van de verhuurder in de gegeven omstandigheden ‘in strijd is met de goede trouw’,9 doch dat de rechter aan het aanvaarden van dit verweer zware eisen mag stellen.
In de zaak die leidt tot de beschikking Wesselingh/Weisz heeft de verhuurder de huurovereenkomst opgezegd en verweert huurder zich met een beroep op de dwingendrechtelijke bepalingen omtrent de opzeggingsgronden in het BW. Ook hier bevestigt de Hoge Raad dat zware eisen moeten worden gesteld aan het aanvaarden van de stelling dat het beroep op een dwingendrechtelijke wetsbepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Lid 2 van artikel 6:2 en 6:248 BW geeft in beide gevallen aan dat een geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De formulering ‘voor zover’ wijst erop dat de geldende regel in geval van onaanvaardbaarheid slechts buiten toepassing wordt gelaten voor zover dat nodig is om deze onaanvaardbaarheid op te heffen.10 Op het moment dat de partij die zich op de onaanvaardbaarheid beroept op enige manier zodanig tegemoetgekomen wordt dat er geen sprake meer is van onaanvaardbaarheid, blijft de regel waartegen die partij opkomt voor het overige dan ook gewoon van toepassing. Men kan dan bijvoorbeeld denken aan een opzegging van een huurovereenkomst die in beginsel onaanvaardbaar is, maar waaraan de onaanvaardbaarheid wordt weggenomen doordat aan de huurder een financiële tegemoetkoming wordt gegeven, zodat de opzegging toch zijn werking houdt. Voorbeelden van deze toepassing worden hierna in paragraaf 3.3.3 besproken. In die paragraaf bespreek ik jurisprudentie waarbij de opzegging van een huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht omdat aan de huurder geen financiële tegemoetkoming wordt geboden. Het voldoen van een bepaalde vergoeding neemt de onaanvaardbaarheid weg en leidt dan wel tot het eindigen van de huurovereenkomst.
Het toepassen van de aanvullende of beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid mag er – uiteraard – niet toe leiden dat de rechtsverhouding tussen partijen ‘denatureert’, oftewel dat de verhouding tussen partijen een andere wordt dan zij beoogden.
Aanvankelijk wordt ervan uitgegaan dat artikel 6:248 BW niet kan worden ingeroepen om te bewerkstelligen dat een beding uit algemene voorwaarden buiten toepassing wordt gelaten omdat toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Artikel 6:233 BW zou een lex specialis ten opzichte van artikel 6:248 BW vormen en een partij die een beding uit algemene voorwaarden wil vernietigen, zou zich dus moeten beroepen op het bepaalde in artikel 6:233 BW. Dat standpunt is echter herzien naar aanleiding van het arrest Bramer/Colpo.11 De Hoge Raad overweegt in dit arrest dat niet valt in te zien waarom iemand die een bepaling uit de algemene voorwaarden opzij wenst te zetten, niet mag kiezen of hij zich beroept op de regeling omtrent onredelijk bezwarende bedingen of op artikel 6:248 lid 2 BW. Het verschil in de rechtsgevolgen van een beroep op een van deze bepalingen (nietigheid of het niet van toepassing zijn van het beding) doet daar niet aan af. De Hoge Raad bevestigt wel dat een beroep op beide rechtsgronden naast elkaar ten aanzien van hetzelfde feitencomplex niet mogelijk is. Degene die de algemene voorwaarde wil aantasten, zal dus wel een keuze moeten maken.
Dit laatste is overigens niet aan de orde als het gaat om het toetsen van bedingen in algemene bepalingen bij een huurovereenkomst. Dergelijke bedingen moeten door de rechter namelijk – verplicht – ambtshalve worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen12 om vast te stellen of sprake is van een onredelijk bezwarend beding,13 mits de huurder een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (een ‘consument’ derhalve).14 Die verplichting tot ambtshalve toetsing is in 2013 bevestigd door de Hoge Raad15 in een geschil waar het gaat om een boetebeding in de algemene bepalingen bij een huurovereenkomst. In de praktijk gaat het bij huurovereenkomsten inderdaad vaak om boetebedingen. De rechter beantwoordt de vraag of het beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij kijkt hij onder meer naar de aard van de tekortkoming en de schade of het belang van de gebruiker van de algemene voorwaarden (in dit geval derhalve de verhuurder) bij het beroep op het boetebeding.16 Diezelfde toets wordt overigens toegepast bij de beoordeling of het beroep op een boetebeding door de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als de huurder geen consument is.17 Er is dan echter geen sprake van een ambtshalve toetsing.
Naast artikel 6:2 en 6:248 BW is er nog een aantal bepalingen in het Burgerlijk Wetboek opgenomen waarin de toepasselijkheid van de redelijkheid en billijkheid in bijzondere gevallen wordt geregeld. Een van deze bepalingen verdient het in ieder geval op deze plaats genoemd te worden, te weten artikel 6:258 BW. Dit artikel is van toepassing in geval van onvoorziene omstandigheden, dat wil zeggen omstandigheden die door partijen niet in de overeenkomst zijn verdisconteerd en die zich na het aangaan van de overeenkomst voordoen. ‘Onvoorzien’ is een subjectief criterium en niet een objectief criterium in de zin van ‘onvoorzienbaar’. In geval van onvoorziene omstandigheden kan de rechter op vordering van een van de partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden, als de omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend. Hammerstein en Vranken pleiten er overigens voor om ook een aanpassings- of wijzigingsbevoegdheid op te nemen om als alternatief te dienen voor opzegging van een duurovereenkomst. De wens om de afspraken te wijzigen blijkt namelijk regelmatig aanleiding voor opzegging van de overeenkomst, omdat de wet geen grondslag biedt om de gewenste wijziging af te dwingen.18
Het verschil tussen toepassing van artikel 6:248 (lid 2) en 6:258 BW bestaat eruit dat bij artikel 6:248 lid 2 BW de toepasselijkheid van een regel wordt beperkt, terwijl die regel verder wel blijft gelden, terwijl bij artikel 6:258 BW de regel wordt gewijzigd of de overeenkomst zelfs helemaal wordt beëindigd.19 Daarnaast is een verschil dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid uit hoofde van artikel 6:248 lid 2 BW van rechtswege geldt,20 terwijl artikel 6:258 BW bepaalt dat een wijziging of ontbinding van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden slechts worden bereikt door middel van een (constitutief) vonnis van de rechter. De rechter kan aan een wijziging of ontbinding, op grond van artikel 6:260 lid 1 BW, voorwaarden verbinden.
Artikel 6:258 BW is een lex specialis ten opzichte van artikel 6:248 BW. Een beroep op artikel 6:258 BW moet daarom enkel en alleen worden beoordeeld op basis van het criterium zoals neergelegd in dat artikel; het bepaalde in artikel 6:248 BW mag daar niet bij worden betrokken.21 Het moet dan ook echt gaan om onvoorziene omstandigheden en om een noodzaak tot ontbinding of wijziging van de overeenkomst; het enkele feit dat een bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in een bepaalde omstandigheid onaanvaardbaar is, levert geen grondslag op voor een wijziging of ontbinding van de overeenkomst.
De mogelijkheid om wijziging of ontbinding van de overeenkomst te vorderen is niet onbegrensd. Er kan geen beroep op worden gedaan ingeval de onvoorziene omstandigheden vanwege de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich op deze omstandigheden beroept.22 Daarbij kan worden gedacht aan omstandigheden die tot het ondernemersrisico van een van de partijen behoren en die weliswaar onvoorzien zijn en in beginsel een wijziging of ontbinding van de overeenkomst zouden rechtvaardigen, maar waar van de contractspartij van deze ondernemer niet kan worden verlangd dat eerstgenoemde (een deel van) dit ondernemersrisico overneemt door de wijziging of ontbinding van de overeenkomst.
Toepassingen van artikel 6:2, 6:248 en 6:258 BW heeft geleid tot een grote hoeveelheid jurisprudentie. In huurrechtelijke geschillen spelen de eisen van redelijkheid en billijkheid regelmatig een rol in geval van opzegging van de overeenkomst. Deze specifieke jurisprudentie wordt behandeld in paragraaf 3.3.3.