Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.3.3.2:5.3.3.2 Het arrest Christel Schriever
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.3.3.2
5.3.3.2 Het arrest Christel Schriever
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS416986:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.4.3.
Zie ook HR 29 januari 2010, nr. 08/01847, V-N 2010/8.16.
Zie HR 29 januari 2010, nr. 08/01847, V-N 2010/8.16 en HR 11 april 2014, nr. 12/01836, BNB 2014/120.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Christel Schriever is eigenaresse van een winkelpand waarin zij een handel in sportartikelen uitbaat. Op enig moment verkoopt zij de goederenvoorraad en de winkeluitrusting van deze sportzaak aan de vennootschap Sport S. Ongeveer gelijktijdig begint Schriever het winkelpand te verhuren aan Sport S. De verhuur geldt voor onbepaalde tijd maar kan door beide partijen ieder kwartaal worden opgezegd. Schriever is van mening dat op de levering van de goederenvoorraad en de winkeluitrusting de Duitse implementatie van artikel 19 Btw-richtlijn van toepassing is, en brengt daarom geen btw in rekening. Over de toepasselijkheid van de geruisloze overgang ontstaat een geschil. Om dit geschil te beslechten acht het Bundesfinanzhof het noodzakelijk vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Het Bundesfinanzhof vraagt of sprake is van een overgang van het geheel van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 5 lid 8 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 19 Btw-richtlijn) wanneer een ondernemer de goederenvoorraad en de uitrusting van zijn detailhandelszaak aan een verkrijger overdraagt, doch de winkelruimte zelf, waarvan hij eigenaar is, enkel verhuurt aan hem. Ten tweede vraagt het Bundesfinanzhof of het hierbij van belang is of het gebruik van de winkelruimte berust op een langlopende huurovereenkomst, dan wel of de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is afgesloten en door beide partijen op korte termijn kan worden opgezegd.
Het Hof van Justitie verwijst in de beantwoording eerst naar het eigen arrest Zita Modes. Daarmee bevestigt het Hof van Justitie dat de Unierechtelijke invulling van de toepassingsvoorwaarden uit het arrest Zita Modes, het algemene uitgangspunt (de founding stone)1 vormt voor de beoordeling of sprake is van een algemeenheid van goederen.
Het antwoord van het Hof van Justitie op de vragen van het Bundesfinanzhof is vervolgens – op het eerste gezicht althans – enigszins onbeholpen. Het Hof van Justitie oordeelt dat sprake kan zijn van een overdracht van een algemeenheid van goederen wanneer de winkeluitrusting en de voorraad goederen worden overgedragen en het pand gelijktijdig aan de verkrijgende partij wordt verhuurd, op voorwaarde dat de goederen die zijn betrokken in de overdracht op zichzelf volstaan opdat de verkrijgende partij hiermee een autonome economische activiteit duurzaam kan voortzetten. Het dictum in het arrest Schriever laat zich in het licht van de Zita Modes-uitleg derhalve samenvatten als: er is sprake van een algemeenheid van goederen, mits sprake is van een algemeenheid van goederen.
In de overwegingen om tot dit dictum te komen geeft het Hof van Justitie echter een aantal meer algemene uitgangspunten met betrekking tot de reikwijdte van de geruisloze overgang. Uit deze obiter dicta in rechtsoverwegingen 29 en 36 van het arrest is op te maken dat ook sprake kan zijn van de overdracht van een algemeenheid van goederen wanneer een winkelinventaris en een voorraad goederen worden overgedragen in combinatie met de verhuur van een pand, waarbij dat pand noodzakelijk is voor de over te dragen autonome economische activiteit.
Het arrest Christel Schriever roept daarmee een aantal vragen op. Immers, als de beschikking over het winkelpand noodzakelijk is voor de uitoefening van de economische activiteit en dit pand geen onderdeel uitmaakt van de overgang of overdracht waarop de geruisloze overgang van toepassing wordt geacht, dan vormt die overgang of overdracht noodzakelijkerwijs niet ‘tezamen een onderneming’. Immers, het voor de uit te oefenen economische activiteit noodzakelijke pand ontbreekt. Naar mijn idee kan deze overweging van het Hof van Justitie op twee manieren worden uitgelegd.
De eerste mogelijke uitleg is dat het Hof van Justitie duidelijk maakt dat de doorlopende dienst die wordt gevormd door de verhuur van de onroerende zaak van de overdrager aan de verkrijger, deel kan uitmaken van de overgang van een algemeenheid van goederen. In dat geval kan worden verdedigd dat het ter beschikking stellen van het noodzakelijke winkelpand toch onderdeel uitmaakt van de algemeenheid van goederen. Dit ter beschikking stellen wordt dan alleen onder de juridische titel van verhuur in plaats van een eigendomsoverdracht geëffectueerd. Ik acht een dergelijke uitbreiding van de werking van de geruisloze overgang echter onwaarschijnlijk en onwenselijk, aangezien artikel 19 Btw-richtlijn een uitzondering betreft op het normale btw-stelsel en dientengevolge beperkt moet worden uitgelegd. Het oprekken van de werking van de faciliteit door hieronder mede doorlopende diensten te begrijpen past niet binnen een beperkte uitleg.2 De Hoge Raad heeft meermaals geoordeeld dat doorlopende diensten als uitgangspunt niet binnen het bereik van de geruisloze overgang kunnen vallen.3
De tweede mogelijke uitleg is dat het Hof van Justitie, in afwijking van het arrest Zita Modes, opschuift richting een meer subject gedreven benadering. Immers, het Hof van Justitie oordeelt dat sprake is van een geruisloze overgang terwijl de lichamelijke en onlichamelijke zaken die het voorwerp zijn van de overdracht (de winkelinventaris en de voorraad) op zichzelf niet voldoende zijn om een economische activiteit te verrichten, aangezien de beschikking over een specifiek onroerend goed hiervoor (kennelijk) noodzakelijk is. Dit betekent dat de lichamelijke en onlichamelijke zaken die worden overgedragen niet tezamen een onderneming hoeven te vormen, zolang de overdracht maar in het grotere verband van de overgang van een onderneming plaatsvindt. Van belang hierbij is dan, zo leid ik af uit rechtsoverweging 39 van het arrest Christel Schriever, dat de betrokken partijen de intentie hebben om een onderneming over te dragen. Wanneer uit ‘een globale beoordeling van alle feitelijke omstandigheden van de transactie’ blijkt dat het partijen te doen is om het overdragen van een autonome economische activiteit wordt de geruisloze overgang van toepassing geacht op de eenmalige (eigendoms-)overdracht van de lichamelijke en onlichamelijke zaken bij wege waarvan deze intentie zich tussen de betrokken partijen manifesteert. Omdat uit het feitencomplex blijkt dat de verkrijger de lopende onderneming van de overdrager (het subject) voortzet, wordt verminderd belang gehecht aan de samenstelling van het object. Daarmee doet naar mijn idee het subjectperspectief zijn intrede in de afbakening van het begrip ‘overgang van een algemeenheid van goederen’.
Hoewel deze tweede uitleg van het arrest Christel Schriever mij op zichzelf niet als onredelijk of onbegrijpelijk voorkomt, is deze toch in kennelijke tegenspraak met het oordeel in het arrest Zita Modes. In ieder geval kan discussie ontstaan met betrekking tot de uitleg van het begrip ‘de overgang van een algemeenheid van goederen’ in het licht van het onderscheid tussen de object- en de subjectbenadering. Deze discussie kan vergaande consequenties hebben voor het toepassingsbereik van de geruisloze overgang bij activa-passiva- transacties, zoals blijkt uit het voorbeeld dat ik hiervoor in paragraaf 5.3.2 heb besproken.