Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.3.3.1
5.3.3.1 Het arrest Zita Modes
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS413306:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 27 november 2003, nr. C-497/01, V-N 2003/61.18, r.o. 40 (Zita Modes). A-G Van Hilten wijst erop dat op basis van de Franse taalversie (die als de authentieke tekst moet worden gezien aangezien het Frans de procestaal was) een komma moet worden gelezen achter ‘bedrijfsonderdeel’. Hieruit volgt dat het vereiste van de overgang van lichamelijke en eventueel onlichamelijke zaken niet slechts betrekking heeft op de overdracht van een autonoom bedrijfsonderdeel maar ook op de overdracht van een handelszaak. A-G Van Hilten, conclusie bij HR 26 februari 2010, nr. 08/02136, BNB 2010/223.
HvJ EG 27 november 2003, nr. C-497/01, V-N 2003/61.18, r.o. 40 (Zita Modes).
Het arrest komt voort uit de verkoop van de activa van een confectiekledingzaak door Zita Modes (een Luxemburgse vennootschap) aan Parfumerie Milady. De Luxemburgse Belastingdienst is van mening dat die overdracht niet geruisloos kan geschieden, aangezien de activiteit van de overdrager (kledingzaak) niet wordt voortgezet door de verkrijger (een parfumerie). De Luxemburgse rechter verwijst het hieruit ontstane geschil rond de toepasselijkheid van de Luxemburgse implementatie van artikel 5 lid 8 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 19 Btw-richtlijn), naar het Hof van Justitie om te achterhalen of de reikwijdte van de bepaling de situatie toelaat dat een algemeenheid van goederen wordt overgedragen wanneer deze niet op dezelfde wijze wordt voortgezet door de verkrijger. Voorts wordt gevraagd in hoeverre de overdracht van een algemeenheid van goederen zich altijd moet uitstrekken tot een bedrijf of een bedrijfsonderdeel.
Na te hebben vastgesteld dat het begrip overgang van een algemeenheid van goederen een begrip van Unierecht is en daarom Unierechtelijk dient te worden uitgelegd, oordeelt het Hof van Justitie dat het begrip zo moet worden ingevuld dat daaronder valt de:
“…overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten”.1
Aan deze uitleg voegt het Hof van Justitie, in de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter, toe dat:
“…deze bepaling doelt op de overdrachten waarbij de verkrijger de bedoeling heeft om de handelszaak of het overgedragen bedrijfsonderdeel te exploiteren, en niet om de betrokken activiteit onmiddellijk zonder meer te vereffenen en in voorkomend geval de voorraden te verkopen”.
Deze laatste eis vloeit volgens het Hof van Justitie weliswaar niet rechtstreeks voort uit de tekst van de kan-bepaling van artikel 5 lid 8 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 19 Btw-richtlijn), maar ligt besloten in het feit dat de verkrijgende partij in de plaats treedt van de overdragende partij. Dat element, gezien in het licht van de doelstellingen van de bepaling – de vereenvoudiging van bedrijfsoverdrachten en het voorkomen van een buitensporige financiële last bij de verkrijgende partij – leidt tot het oordeel dat de verkrijgende partij niet onmiddellijk mag vereffenen of de voorraden verkopen. Niet vereist is dat de verkrijgende partij vóór de overdracht hetzelfde soort economische activiteiten verricht als de overdragende partij.
Op basis van dit arrest lijkt het helder. Het arrest leert dat sprake is van een algemeenheid van goederen bij de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend. Daaronder valt niet de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.2
De uitleg in het arrest Zita Modes lijkt daarmee de conclusie te rechtvaardigen dat de lichamelijke en onlichamelijke zaken die worden overgedragen constituerende elementen dienen te zijn van de over te dragen algemeenheid van goederen (de autonome economische activiteit). De algemeenheid van goederen kan niet worden geabstraheerd van deze zaken. Immers, het Hof van Justitie lijkt met het zinsdeel ‘tezamen een onderneming vormen’ te zeggen dat een overdracht pas geruisloos kan verlopen, wanneer zij een dusdanig samenstel aan lichamelijke en onlichamelijke zaken tot voorwerp heeft dat hiermee een autonome economische activiteit kan worden verricht. Bovendien oordeelt het Hof van Justitie dat geen sprake kan zijn van een algemeenheid van goederen wanneer slechts een voorraad goederen zonder meer wordt overgedragen. De conclusie luidt dan ook dat het Hof van Justitie in dit arrest de objectbenadering kiest.