De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.2.2:III.15.2.2 Gronden voor intrekking
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.2.2
III.15.2.2 Gronden voor intrekking
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375294:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het theoretisch kader is een aantal gronden voor intrekking besproken die in de literatuur en jurisprudentie veelal worden onderscheiden. Wanneer de in dit hoofdstuk bestudeerde rechtsterreinen worden overzien, blijkt dat deze gronden niet allemaal steeds terugkomen in de bestaande intrekkingsregelingen. Een grond die wel in alle regelingen is terug te vinden is de intrekking vanwege het feit dat de geadresseerde onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. In de RWN is deze grond weliswaar wat strenger geformuleerd, zij het dat de strekking overeenkomt. Steeds is vereist dat sprake is van causaal verband tussen het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie door de geadresseerde en het geven van de beschikking. Een grond die niet steeds terugkomt in de bestudeerde intrekkingsregelingen is de intrekking wegens onjuistheid van de beschikking, anders dan ontstaan vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de geadresseerde. Kort gezegd betreft het de situatie waarin het bestuursorgaan een fout heeft gemaakt bij verlening van de beschikking. De bestudeerde regelingen overziend lijkt deze grond eigenlijk alleen voor te komen wanneer het financiële beschikkingen betreft, zoals subsidies en uitkeringen. Wanneer blijkt dat deze om enigerlei reden ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn verleend, bestaat steeds een bevoegdheid tot intrekking. In de andere regelingen is een dergelijke bevoegdheid niet terug te vinden. In het omgevingsrecht is in het verleden zelfs bewust afgezien van het opnemen van een bevoegdheid tot intrekking wegens onjuistheid van de beschikking.
Het begaan van een overtreding door de geadresseerde1 is ook in de meeste van de bestudeerde wetten terug te vinden. Het kan gaan om handelen in strijd met de beschikking zelf, aan de beschikking verbonden voorschriften dan wel voor de geadresseerde in het kader van de betreffende beschikking geldende algemene regels. In de Wabo is de intrekking bij wijze van sanctie zelfs in een aparte bepaling neergelegd, om het onderscheid met de beleidsmatige intrekking te maken. Een uitzondering geldt voor het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht. Een expliciete grondslag voor intrekking vanwege overtreding van bepaalde voorschriften is in deze wetgeving niet opgenomen. Wat betreft de Vreemdelingenwet 2000 geldt dat veelal het niet (langer) voldoen aan bepaalde eisen leidt tot intrekking. Gedacht kan worden aan het zich vestigen buiten Nederland, het niet langer beschikken over voldoende bestaansmiddelen of het niet meer voldoen aan de beperking waaronder een verblijfsvergunning is verleend. Getwijfeld zou kunnen worden over de intrekking vanwege het begaan van bepaalde (zware) misdrijven. Een en ander kan zowel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 als op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap leiden tot intrekking.
Tot slot werd in het theoretisch kader de categorie veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten genoemd. Veranderde omstandigheden aan de zijde van de geadresseerde kunnen op grond van de bestudeerde regelingen veelal leiden tot intrekking. Gedacht kan worden aan het niet langer voldoen aan de eisen die gelden voor het in aanmerking komen van een bepaalde beschikking of het niet tijdig gebruik maken van de beschikking. Wat betreft veranderde omstandigheden aan de zijde van het bestuursorgaan geldt, dat deze grond eigenlijk alleen expliciet terug te vinden is in de subsidietitel van de Awb. Zowel artikel 4:50 als 4:51 Awb bevatten een dergelijke grond voor intrekking (ingeval van art. 4:51 Awb: weigering). Dat lijkt te verklaren vanuit het feit dat het heel goed voorstelbaar is dat het bestuursorgaan te maken krijgt met omstandigheden die ertoe nopen een bepaalde subsidie in te trekken. Het meest bekende voorbeeld is wellicht de noodzaak tot bezuinigen. In de andere bestudeerde wetten komt deze grond niet zo letterlijk terug. Dat betekent niet dat daarom intrekking wegens veranderde omstandigheden aan de zijde van het bestuursorgaan niet mogelijk is. Soms zit deze grond als het ware ‘verpakt’ in een andere intrekkingsgrond. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de intrekking op grond van art. 2.33 lid 1 sub b Wabo.