De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.2.5:III.15.2.5 Normering van de intrekkingsbevoegdheid
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.15.2.5
III.15.2.5 Normering van de intrekkingsbevoegdheid
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377670:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de vraag of een beschikking al dan niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken is vooral in de regelingen betreffende financiële beschikkingen een en ander bepaald. Zowel de subsidietitel van de Awb als de bestudeerde socialezekerheidswetten (en de daarop gebaseerde (beleids)regelgeving) bepalen uitdrukkelijk in welke gevallen ex tunc en in welke gevallen ex nunc kan worden ingetrokken. Hetzelfde geldt voor het vreemdelingenen nationaliteitsrecht. In art. 2 lid 1 RWN is bepaald dat verlies van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft, tenzij de wet anders bepaalt. In de Vreemdelingencirculaire is iets soortgelijks bepaald ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel. De overige regelingen bepalen niets omtrent de werking in tijd van de intrekking. Dat valt op zichzelf te begrijpen. In bijvoorbeeld de Wabo is de omgevingsvergunning geregeld. Een dergelijke vergunning kan betrekking hebben op een veelheid aan activiteiten. Dan is het niet eenvoudig vooraf in algemene zin te bepalen wanneer intrekking ex tunc of ex nunc is toegestaan.
Over het eventueel bieden van een overgangstermijn bepalen de bestudeerde wetten niet veel. In de subsidietitel is in art. 4:50 lid 2 Awb bepaald dat de intrekking van de subsidieverleningsbeschikking wegens veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten of niet kennelijke onjuistheid geschiedt met inachtneming van een redelijke termijn. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat deze bepaling ook voorschrijft dat een financiële compensatie moet worden geboden wanneer de subsidieontvanger schade heeft geleden. De redelijke termijn en de financiële compensatie worden gezien als zogenaamde ‘communicerende vaten’. Een langere overgangstermijn kan bijvoorbeeld samengaan met een lager bedrag aan compensatie. Ook de beëindiging van een langlopende subsidie (art. 4:51 Awb) geschiedt met inachtneming van een redelijke termijn. Ten aanzien van de intrekking van een AOWuitkering is in de beleidsregels van de SVB bepaald dat een beleidswijziging geschiedt met inachtneming van een overgangstermijn van een half jaar tot een jaar.
Wat betreft eventuele financiële genoegdoening is in de bestudeerde regelingen maar zeer summier iets bepaald. De Wabo kent in art. 4.2 een nadeelcompensatieregeling, onder meer voor de situatie waarin schade wordt geleden ten gevolge van de intrekking van een omgevingsvergunning. Het betreft een op het égalitébeginsel gebaseerde compensatieregeling. In art. 4:50 lid 2 Awb is voorts bepaald dat in de daar genoemde gevallen de schade wordt vergoed die de subsidieontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dat dat hij zonder de subsidie zou hebben gedaan. De lengte van de overgangstermijn die op grond van deze bepaling wordt geboden, kan van invloed zijn op de hoogte van de compensatie.