Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/7.5.4
7.5.4 Adviesrechten
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS597622:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 115a, lid 3, sub a, Pw.
Art. 14, lid 5, Bupw.
Zie par. 5.12.3.
Art. 115b, lid 2, sub e, Pw.
Art. 115b, lid 2, sub a, sub c en sub f, Pw.
Art. 115c, lid 1, Pw. Door (ongevraagd) advies over allerhande onderwerpen uit te brengen (bijv. over uitbesteding of de aansturing of beëindiging van een uitbestedingsrelatie), kan het belanghebbendenorgaan veel invloed naar zich toetrekken. Zie ook Gerlach 2012, par. 3.
Art. 115a, lid 6, Pw en art. 115c, lid 5, Pw.
Art. 115a, lid 5, Pw en art. 115c, lid 3, Pw.
Art. 105, lid 2, Pw.
Dat beroepsrecht voor het inspraakorgaan is gevormd naar het beroepsrecht dat een ondernemingsraad heeft op grond van art. 26 WOR wanneer diens adviesrecht wordt geschonden (Kamerstukken II, 1998-1999, 26674, nr. 3, p. 12). Dat maakt het aannemelijk dat ook de rechtspraak van de Ondernemingskamer op basis van art. 26 WOR analoog kan worden toegepast (Gerlach 2012, par. 3).
Art. 217, lid 1, Pw.
Art. 217, lid 2, Pw.
Art. 217, lid 4, Pw.
Kamerstukken II, 1998-1999, 26674, nr. 3, p. 7. Daar wordt overigens nog van de deelnemersraad gesproken in plaats van verantwoordings- of belanghebbendenorgaan.
Art. 217, lid 5, Pw.
Zo ook Minnaard 2013/38, onder 2.1.
Voorzieningen worden in beginsel eerst getroffen nadat het beroep gegrond is bevonden (art. 217, lid 6, Pw). Indien nodig kunnen voorziening reeds na indiening van het verzoekschrift worden getroffen (art. 217, lid 9, Pw).
Art. 217, lid 7, Pw.
Zie par. 6.8.2.3.
Minnaard 2013/38. Zijn telling betreft de periode van juni 2000 (toen het beroepsrecht werd ingevoerd) tot augustus 2013.
Het verantwoordingsorgaan en het belanghebbendenorgaan hebben een adviesrecht ten aanzien van een aantal onderwerpen. De adviesrechten van het belanghebbendenorgaan gaan verder dan die van het verantwoordingsorgaan. De verklaring voor dit verschil ligt erin dat een belanghebbendenorgaan wordt ingesteld bij een onafhankelijk bestuursmodel en een onafhankelijk gemengd bestuursmodel. In deze bestuursmodellen zijn de begunstigden noch in het bestuur, noch in het interne toezicht vertegenwoordigd. De invloed van de begunstigden loopt uitsluitend via het belanghebbendenorgaan.
De meeste adviesrechten van het verantwoordingsorgaan zijn voor dit onderzoek weinig relevant. Het meest relevante adviesrecht van het verantwoordingsorgaan is dat ten aanzien van het beloningsbeleid.1 Het pensioenfonds moet bij de aanstelling van een dienstverlener immers ook de door de dienstverlener gehanteerde beloningsstructuur betrekken.2 Het ligt in de rede dat het fonds op dit punt aansluit bij het beloningsbeleid dat het zelf hanteert.3
Het belanghebbendenorgaan heeft voorts een adviesrecht inzake besluiten met betrekking tot overeenkomsten van uitbesteding.4 Ook het adviesrecht inzake a) het nemen van maatregelen van algemene strekking, b) de vaststelling van het jaarverslag, de jaarrekening, en de actuariële en bedrijfstechnische nota, en c) het beloningsbeleid zijn voor dit onderzoek relevant.5 Daarnaast kan het belanghebbendenorgaan ook uit eigen beweging advies geven.6
De adviesvraag moet worden voorzien van een overzicht van beweegredenen voor het besluit en van de gevolgen die het besluit naar verwachting zal hebben voor de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.7 Bovendien moet het advies worden gevraagd op een tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het adviesplichtige besluit.8 Het bestuur moet zich bij de vervulling van zijn taak richten naar de belangen van alle belanghebbenden bij het pensioenfonds en zorgen dat zij zich door hem op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.9 Het kan een advies van het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan daarom niet zomaar negeren.
Het adviesrecht is geen bloot adviesrecht. Tegen een schending van zijn adviesrecht kan het beroep instellen.10 Het inspraakorgaan kan tegen een besluit van het pensioenfondsbestuur beroep instellen bij de Ondernemingskamer wanneer:
het orgaan niet in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan het besluit advies uit te brengen;
het besluit niet in overeenstemming is met het gegeven advies; of
na uitbrenging van het advies feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die mogelijk tot een ander advies hadden geleid als zij bij de advisering bekend waren geweest.11
Het beroep moet worden ingesteld binnen acht weken na bekendmaking van het besluit aan het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan.12 Het orgaan is echter niet-ontvankelijk als de toezichthouder met betrekking tot hetzelfde onderwerp een aanwijzing heeft gegeven.13 De reden is dat de wetgever voorrang wilde geven aan het toezicht van DNB boven het beroepsrecht van het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan.14 De Ondernemingskamer wijst het beroep toe wanneer hij oordeelt dat het pensioenfonds bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.15 Dit impliceert een marginale toetsing door de Ondernemingskamer. Het is niet aan de Ondernemingskamer om op de stoel van de bestuurder te gaan zitten.16 Op verzoek van het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan kan de Ondernemingskamer het pensioenfonds
verplichten om het gewraakte besluit geheel of ten dele in te trekken alsmede om bepaalde gevolgen van het besluit ongedaan te maken, en
verbieden om handelingen ter uitvoering van het besluit of onderdelen daarvan te verrichten of te laten verrichten.17
De getroffen voorziening mag geen verworven rechten van derden aantasten.18 Het ligt mijns inziens voor de hand om die beperking op dezelfde wijze uit te leggen als het (Wft-)voorschrift dat een aanwijzing van de toezichthouder geen overeenkomsten mag aantasten.19 De bevoegdheid van de rechter hoeft niet beperkter te zijn dan die van de toezichthouder. Dat betekent dan dat rechten van derden niet met terugwerkendekracht kunnen worden aangetast, maar wel naar de toekomst.
Het beroepsrecht van de inspraakorganen heeft overigens (nog) geen hoge vlucht genomen. In 13 jaar tijd heeft de Ondernemingskamer tienmaal, en de Hoge Raad eenmaal uitspraak gedaan.20