Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.2.1.2
III.10.2.1.2 Intrekking van de omgevingsvergunning (art. 2.33 Wabo)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375276:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Van den Boom 2010, p. 128.
Vgl. art. 8.25 lid 2 onder b Wm (oud). Deze bepaling is ingevoerd ter uitvoering van deIPPC-richtlijn. ZieKamerstukken II 2003/04, 29711, nrs. 2 en 3.
Vgl. art. 8.25 lid 2 onder a Wm (oud) jo art. 8.22 lid 2 Wm (oud). Het bevoegd gezag heeft hierbij geen ruimte om belangen af te wegen. Vgl. ABRvS 5 juni 2013, JM 2013/ 148 m.nt. Bokelaar.
Vgl. art. 8.25 lid 1 onder a Wm (oud).
Kamerstukken II 2003/04, 30844, nr. 3, p. 118. De regering was van oordeel dat een bevoegdheid tot intrekking slecht paste bij het constateren van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu.
ABRvS 9 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP1079.
Zie o.a. ABRvS 22 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2228 (Besluit LPG-tankstations milieubeheer), ABRvS 17 december 2008, M&R 2009/30 m.nt. Ten Veen en JM 2009/21 m.nt. Slappendel (Bevi/Revi) en ABRvS 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6333.
ABRvS 25 februari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO4361.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 118 en Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 8, p. 10.
Onder het oude recht bestond in deze situatie geen verplichting tot intrekking, maar was sprake van het vervallen van de vergunning. Zie art. 8.18 lid 1 onder b jo art. 8.18 lid 3 Wm. Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31953, nr. 2, onderdeel R.
Vgl. ABRvS 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3227.
Ten aanzien van milieuvergunningen onder de Wm (oud) gold dat deze van rechtswege vervielen wanneer de inrichting niet binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning was voltooid en in werking was gebracht. Vgl. art. 8.18 lid 1 onder a Wm (oud).
Vgl. onder meer art. 8.25 lid 1 onder c Wm (oud), art. 59 lid 1 onder c en d Wonw (oud) en art. 3.19 onder b en c jo art. 3.21 Wro (oud). Het gebruikmaken van deze intrekkingsgrond kan ten aanzien van de omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met het planologisch regime (art. 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wabo) complicaties opleveren. Vgl. Nijmeijer in zijn annotatie bij ABRvS 24 september 2014, AB 2014/377.
Vgl. ten aanzien van bouwen art. 59 lid 1 onder c en d Wonw (oud). Daar werd verwezen naar de termijn neergelegd in de bouwverordening, welke ook 26 weken bedroeg. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat het belangenafwegingskader van art. 2.33 lid 2 aanhef en onder a Wabo niet anders is dan bij de voorganger van deze bepaling (art. 59 lid 1 onder c en d Wonw (oud)).
Kamerstukken II 2009/10, 32277, nr. 3, p. 3-4.
Zie onder meer ABRvS 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8764, ABRvS 21 maart 2012, TBR 2012/167, ABRvS 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:824, ABRvS 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:64 en ABRvS 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3010.
Zie onder meer ABRvS 7 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7067, ABRvS 5 maart 2014, JB 2014/80 en ABRvS 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2885.
Van Buuren e.a. 2014, p. 195.
Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie waarin de vergunninghouder geen gebruik meer wenst te maken van de vergunning. De vraag is of dit expliciet in de Wabo moet worden geregeld. Vgl. Nijmeijer ten aanzien van art. 59 lid 1 onder e Wonw (oud): Nijmeijer 2005, p. 10-11. Ten tijde van de Interimwet ammoniak en veehouderij werd een verzoek tot intrekking soms door de vergunninghouder gedaan, zodat hij zijn ammoniakrechten kon overdragen. Vgl. Vz. ABRvS 25 november 1997, JM 1998/68 m.nt. Van Reeken en ABRvS 29 februari 2000, AB 2000/240 en Gst. 2001/9 m.nt. Van Geest. Met inwerkingtreding van de Wet ammoniak en veehouderij bestaat deze mogelijkheid niet meer (vgl. Kamerstukken II 2000/01, 27836, nr. 3, p. 17). Gelet op het feit dat de praktische betekenis van onderdeel b enerzijds en anderzijds het feit dat de wijziging van de vergunningvoorschriften op verzoek van de vergunninghouder ook niet expliciet in de Wabo is geregeld (wanneer de vergunninghouder verzoekt om intrekking of wijziging is per definitie sprake van een aanvraag, gelet op art. 1:3 lid 3 Awb), kan worden betoogd dat onderdeel b overbodig is.
Vgl. art. 2.33 lid 3 Wabo en art. 8.26 lid 1 Wm (oud).
ABRvS 29 februari 2000, AB 2000/240 en Gst. 2001/9 m.nt. Van Geest.
Zie bijvoorbeeld de artt. 46c lid 2 en 47c lid 2 Natuurbeschermingswet 1998.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 117.
Vgl. ABRvS 8 maart 2006, Gst. 2006/84 m.nt. Nijmeijer. Een verzoek moet wel afkomstig zijn van een belanghebbende wil sprake zijn van een aanvraag in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb.
Het eerste lid van art. 2.33 Wabo geeft aan in welke gevallen een verplichting tot intrekking van de omgevingsvergunning bestaat. Het betreft kort gezegd gevallen waarin de op grond van de Wabo beschermde belangen mogelijk in geding zijn.1 Een omgevingsvergunning dient op grond van onderdeel a te worden ingetrokken ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie.2 Intrekking dient op grond van onderdeel b te geschieden indien het een omgevingsvergunning voor een inrichting (art. 2.1 lid 1 onder e Wabo) betreft en met toepassing van art. 2.31 lid 1 onder b Wabo (BdK: de wijzigingsverplichting in het kader van de actualiseringsplicht) niet kan worden bereikt dat in de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast.3
Onderdeel c verplicht het bevoegd gezag tot intrekking ingeval een verzoek als bedoeld in art. 2.29 lid 1 onder a Wabo is gedaan. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt in de paragraaf 10.2.1.3 van dit hoofdstuk.
Op grond van onderdeel d is het bevoegd gezag verplicht tot intrekking van de omgevingsvergunning voor een inrichting (art. 2.1 lid 1 onder e Wabo) indien de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van art. 2.31 Wabo (BdK: wijziging van de aan de vergunning verbonden voorschriften) daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt. Opmerking verdient dat deze intrekkingsgrond naar oud recht als bevoegdheid was geformuleerd.4 Onder de Wabo betreft het een intrekkingsverplichting.5 Bij de vraag of sprake is van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu beschikt het bevoegd gezag wel over beoordelingsvrijheid. De beoordelingsvrijheid wordt begrensd door de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.6 Voorbeelden van situaties waarin intrekking op deze grond kan plaatsvinden zijn het (in grove mate) overschrijden van afstandseisen,7 of het zich voordoen van een explosie binnen de inrichting.8
Onderdeel e bevat de verplichting een van rechtswege verleende omgevingsvergunning in te trekken, indien de activiteit ontoelaatbaar ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft dan wel dreigt te hebben en wijziging op grond van art. 2.31 lid 1 onder c Wabo daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt. Voor intrekking op deze grond is, zoals de tekst van de bepaling reeds doet vermoeden, slechts plaats in uitzonderlijke situaties.9Onderdeel f bevat een specifieke intrekkingsgrond voor de situatie waarin een omgevingsvergunning in de zin van art. 2.1 lid 1 onder e Wabo is verleend voor een afvalvoorziening of stortplaats en deze gesloten is verklaard.10 Tot slot bestaat op grond van onderdeel g een intrekkingsverplichting ingeval van een aangehaakte toestemming. Intrekking dient dan te geschieden op de gronden zoals neergelegd in het betreffende wettelijk voorschrift.
Het tweede lid van art. 2.33 Wabo verschaft het bevoegd gezag in de daar genoemde gevallen een discretionaire bevoegdheid tot intrekking.11 Op grond van onderdeel a kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekken voor zover gedurende 3 jaar,12 respectievelijk 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.13 Voor de activiteiten bouwen, uitvoeren van werk(zaamheden) of slopen geldt de termijn van 26 weken.14 Voor alle overige toestemmingen geldt de algemene termijn van 3 jaar. Voorts kan in de omgevingsvergunning zelf een afwijkende termijn worden opgenomen. Onder het ‘niet verrichten van handelingen met gebruikmaking van de vergunning’ wordt zowel het geen begin maken met de vergunde werkzaamheden als het stilliggen van die werkzaamheden verstaan.15 Van belang bij de vraag of op deze grond mag worden ingetrokken is, of de geadresseerde aannemelijk weet te maken dat op korte termijn van de vergunning gebruik zal worden gemaakt.16 Gewijzigde planologische inzichten kunnen, wanneer het een omgevingsvergunning om te bouwen betreft, leiden tot intrekking op deze grond.17 Doel van deze intrekkingsgrond is te voorkomen dat omgevingsvergunningen tot in lengte van dagen blijven bestaan, zonder dat deze worden gebruikt.18
Onderdeel b geeft de vergunninghouder de mogelijkheid te verzoeken om intrekking van de omgevingsvergunning.19 Betreft het een omgevingsvergunning voor een inrichting (art. 2.1 lid 1 onder e Wabo) dan kan het bevoegd gezag op grond van art. 2.33 lid 3 Wabo slechts tot intrekking overgaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet.20 Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien de gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken afnemen. Belangen van derden kunnen ertoe leiden dat van de intrekkingsbevoegdheid geen gebruik mag worden gemaakt.21
Onderdeel c geeft het bestuursorgaan een bevoegdheid tot intrekking ingeval het een omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk met het oog op de brandveiligheid (art. 2.1 lid 1 onder d Wabo) betreft. Een bevoegdheid tot intrekking bestaat indien dit in het belang van de brandveiligheid nodig is met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk en wijziging op grond van art. 2.31 lid 2 onder a Wabo dit belang niet voldoende kan beschermen.
Op grond van onderdeel d kan een omgevingsvergunning voor een inrichting (art. 2.1 lid 1 onder e Wabo) worden ingetrokken indien dit in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen nodig is dan wel indien de inrichting of het mijnbouwwerk geheel of gedeeltelijk is verwoest. Een omgevingsvergunning voor onder andere het slopen of verstoren van een beschermd monument (art. 2.1 lid 1 aanhef en onder f Wabo) kan op grond van onderdeele worden ingetrokken indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg zwaarder moet wegen. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat zijn voornemens ten aanzien van het monument zijn gewijzigd.22 De onderdelen f, g enh voorzien in een intrekkingsbevoegdheid indien dit bij AMvB als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder i Wabo, verordening als bedoeld in art. 2.2 Wabo dan wel in een aangehaakte wettelijke regeling23 (art. 2.19 Wabo) is bepaald.
Zowel de wet als de memorie van toelichting zwijgt over de mogelijkheid dat een belanghebbende, anders dan de vergunninghouder, een verzoek tot intrekking doet. Ten aanzien van de wijziging op verzoek van een belanghebbende niet zijnde de vergunninghouder werd in de memorie van toelichting opgemerkt dat een grondslag hiervoor niet in de wet opgenomen hoefde te worden, nu een verzoek van een belanghebbende een aanvraag is in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb.24 Eenzelfde redenering kan ten aanzien van de intrekking op verzoek van een belanghebbende (niet zijnde de vergunninghouder) worden gevolgd.25