Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.2.1.1
III.10.2.1.1 Wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning (art. 2.31 Wabo)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380168:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Van den Boom 2010, p. 122.
Art. 8.22 Wm (oud).
De wet bevat geen termijn. Daarvoor is bewust niet gekozen om te voorkomen dat een dergelijke termijn als norm zou gaan gelden, terwijl in een individueel geval frequenter toezicht gewenst kan zijn. Zie Kamerstukken II 1989/90, 21087 nr. 13, p. 45-46.
Bijvoorbeeld het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT). Vgl. ABRvS 18 maart 2009, AB 2009/377 m.nt. De Graaf. Zie voorts Boeve e.a. 2013, p. 218.
In art. 2.30 lid 1 Wabo jo art. 5.10 Bor is bepaald in welke gevallen art. 2.30 lid 1 Wabo in ieder geval moet worden toegepast.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 12 november 2003, Gst. 2004/87 m.nt. Van Geest en ABRvS 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9473 en Kamerstukken II 2003/04, 29711, nr. 3, p. 35.
Deze bepaling is ingevoerd als gevolg van de Richtlijn Industriƫle Emissies. ZieKamerstukken II 2011/12, 33197, nr, 7.
Een van rechtswege verleende omgevingsvergunning ontstaat indien, ingeval de reguliere voorbereidingsprocedure wordt toegepast, niet binnen de daarvoor gestelde termijn een beslissing op de aanvraag wordt genomen. Zie art. 3.9 lid 3 Wabo.
Een omgevingsvergunning voor deze activiteit is slechts vereist indien dit bij AMvB is bepaald. Zie art. 2.1 lid 1 onder d Wabo jo art. 2.2 Bor.
Vgl. art. 8.23 Wm (oud). Opgemerkt moet worden dat het toepassingsbereik van deze bepaling ruimer was dan het huidige art. 2.31 lid 2 onder b Wabo. Laatstgenoemde bepaling spreekt immers slechts over āvoorschriftenā, terwijl onder het oude recht ook beperkingen waaronder de vergunning was verleend konden worden gewijzigd. Zie over het begrip beperkingen in de zin van art. 8.23 Wm Hoitink 1998, p. 48.
Hoitink 1998, p. 48 met een verwijzing naar ABRvS 6 juni 1995, BR 1995/771, Boeve e.a. 2009, p. 48/49. Zie bijvoorbeeld ook ABRvS 22 oktober 1998, M&R 1998/212K en ABKort 1998/662, ABRvS 22 oktober 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AM2393 en ABRvS 29 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2518.
Zie voor een voorbeeld ABRvS 3 maart 2010, AB 2010/90 m.nt. Ortlep, waarin ten gevolge van de wijziging een aanmerkelijk deel van de bedrijfsvoering niet meer kon plaatsvinden. Dat kwam volgens de Afdeling neer op gedeeltelijke intrekking van de vergunning. Art. 8.23 lid 1 Wm bood daarvoor echter geen basis. Zie voorts ABRvS 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7104, Hoitink 1998, p. 49 en Boeve e.a. 2009, p. 49- 50.
Vgl. bijvoorbeeld art. 8.23 lid 2 Wm (oud). Ook een expliciete bepaling m.b.t. wijziging op verzoek van de vergunninghouder (vgl. art. 8.24 Wm (oud)) is niet opgenomen.
Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, p. 117. Met betrekking tot wijziging op verzoek van de vergunninghouder was aanvankelijk in art. 2.31 lid 2 Wabo wel een en ander bepaald. Bij nota van wijziging is het tweede lid echter gewijzigd in de huidige redactie. Zie Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 9 onderdeel X. Art. 2.33 lid 2 onder b Wabo bevat daarentegen wel een bevoegdheid tot intrekking op verzoek van de vergunninghouder.
Artikel 2.31 Wabo legt het bevoegd gezag een verplichting tot wijziging op (eerste lid) dan wel verschaft het bevoegd gezag een bevoegdheid tot wijziging (tweede lid). Blijkens de tekst van deze bepaling betreft wijziging de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften. Op grond van art. 1.1 lid 1 Wabo moet onder wijziging worden verstaan het wijzigen, aanvullen of intrekken van deze voorschriften, dan wel het alsnog verbinden van voorschriften aan de vergunning.
Op grond van art. 2.31 lid 1 Wabo is het bestuursorgaan in een zestal gevallen gehouden tot wijziging van de voorschriften welke aan de omgevingsvergunning verbonden zijn. Een en ander heeft tot doel een zo groot mogelijke bescherming van het milieu realiseren.1 Op grond van onderdeel a wijzigt het bevoegd gezag de voorschriften van de omgevingsvergunning ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in art. 2.29 lid 1 tweede volzin onder a Wabo.
Onderdeel b betreft wat onder het recht van voor inwerkingtreding van de Wabo werd aangeduid als actualiseringsplicht.2 Op grond van art. 2.30 lid 1 Wabo is het bevoegd gezag, ingeval sprake is van een omgevingsvergunning voor een inrichting (art. 2.1 lid 1 onder e Wabo) verplicht regelmatig3 te bezien of de voorschriften die verbonden zijn aan de vergunning nog toereikend zijn, gelet op de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu4 (1) en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu (2).5 Indien het bevoegd gezag tot de conclusie komt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt verder kunnen respectievelijk moeten worden beperkt door het wijzigen van de voorschriften, bestaat op grond van art. 2.31 lid 1 onder b Wabo een verplichting daartoe. Onder het oude recht gold dat door het wijzigen van de aan de omgevingsvergunning voor een inrichting (art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e Wabo) verbonden voorschriften, de āgrondslag van de aanvraagā niet mocht worden verlaten. Dat hield in dat de wijziging er niet toe mocht leiden dat een andere inrichting werd toegestaan dan waarvoor oorspronkelijk vergunning was verleend.6 Naar huidig recht mag de grondslag van de aanvraag wel worden verlaten wanneer de voorschriften welke zijn verbonden aan een omgevingsvergunning op grond van art. 2.31 lid 1 aanhef en onder b Wabo worden gewijzigd. Een en ander is neergelegd in art. 2.31a Wabo.7
Indien sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning,8 gebiedt onderdeel c de voorschriften verbonden aan deze vergunning te wijzigen indien dat nodig is ter voorkoming of beperking van ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. De voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning dienen tot slot op grond van de onderdelend t/m fāte worden gewijzigd indien dit bij AMvB als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder i Wabo, bij verordening als bedoeld in art. 2.2 Wabo dan wel in een aangehaakte wettelijke regeling (art. 2.19 Wabo) is bepaald.
Artikel 2.31 lid 2 Wabo verschaft het bestuursorgaan in de daar genoemde gevallen een discretionaire bevoegdheid tot wijziging. Op grond van onderdeela kan het bevoegd gezag voorschriften die zijn verbonden aan een omgevingsvergunning voor het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk met het oog op de brandveiligheid (art. 2.1 lid 1 onder d Wabo)9 wijzigen voor zover dit in het belang van de brandveiligheid is met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk.
Onderdeel b verschaft het bestuursorgaan de bevoegdheid de voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning voor een inrichting (art. 2.1 lid 1 onder e Wabo) te wijzigen voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.10 Dit betekent in de eerste plaats dat een wijziging er niet toe mag leiden dat een grotere milieubelasting van de inrichting ontstaat. Daarnaast mag de wijziging, die in de regel in het nadeel van de vergunninghouder zal uitpakken, alleen met een beroep op het milieubelang plaatsvinden.11 Ook mag toepassing van art. 2.31 lid 2 onder b Wabo niet neerkomen op een intrekking van de vergunning.12 Voorts moet deze wijzigingsbevoegdheid worden onderscheiden van de (hiervoor reeds besproken) wijzigingsverplichting van art. 2.31 lid 1 onder b Wabo. Het toepassingsbereik van laatstgenoemd artikel is immers beperkter, nu wijziging alleen mag plaatsvinden met een beroep op āontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, respectievelijk de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieuā, terwijl art. 2.31 lid 2 onder b Wabo het (meer brede) criterium van āhet belang van de bescherming van het milieuā hanteert.
De onderdelen c t/m e komen overeen met de onderdelen i t/m f van het eerste lid van art. 2.31 Wabo, met dit verschil dat het geen wijzigingsverplichting, maar een bevoegdheid tot wijziging betreft. In art. 2.31 lid 2 Wabo is, in tegenstelling tot het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wabo,13 geen grondslag opgenomen voor het wijzigen van de voorschriften op verzoek van belanghebbenden. De wetgever zag hiertoe geen aanleiding, nu een verzoek van een belanghebbende om wijziging van de voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning, valt onder de definitie van een aanvraag zoals neergelegd in art. 1:3 lid 3 Awb. Daardoor zijn de bepalingen van onder meer titel 4.1 Awb van toepassing. Een aparte regeling in de Wabo werd om die reden niet meer nodig geacht.14