Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/3.1
3.1 Inleiding
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS413297:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie in algemene zin over dit verschijnsel bijvoorbeeld H.C.F.J.A. de Waele, Rechterlijk activisme en het Europees Hof van Justitie, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, G. Conway, The Limits of Legal Reasoning and the European Court of Justice, Cambridge: Cambridge University Press 2012 en H.C.F.J.A. de Waele, ‘Rechtspleging door het Europese Hof van Justitie: activistisch, kwaliteitsvol, methodisch zuiver, problematisch?’, SEW 2013/11. Bekende voorbeelden van kritische beschouwingen zijn onder meer H. Rasmussen, On Law and Policy in the European Court of Justice. A Comparative Study in Judicial Policy-Making, Dordrecht/Boston/ Lancaster: Martinus Nijhof Publishers 1986, P.J.Wattel, Köbler, Cilfit enWelthgrove, ‘We can’t go on meeting like this’, Common Market Law Review 2004/41 en Roman Herzog en Lüder Gerken, EUObserver.com van 10 september 2008, ‘Stop the European Court of Justice’, http://euobserver.com/7/26714 (geraadpleegd op 24 december 2014).
Zie onder meer A. Vroon, ‘Aandeel met succes verzekerd?’, NTFR Beschouwingen 2001/29, G.J. van Norden, ‘De zaak EDM: Every Doubt Maintained, of even more doubts?’, BtwBrief 2004/12, M.E. van Hilten, noot bij HvJ EG 26 mei 2005, nr. C-456/03, BNB 2005/313 (Kretztechnik), J.Th. Sanders, commentaar bij HvJ EU 13 maart 2008, nr. C-473/06, NTFR 2008/568 (Securenta), I.F. Molenaar, ‘De zaak AB SKF: antwoorden of nog meer vragen?’, BtwBrief 2009/37, John Watson, TomCartwright en Eleanor Dixon, ‘A Recipe for Chaos’, Int. VAT Monitor May/June 2010, conclusie A-G Van Hilten van 5 oktober 2010, nr. 42 863 bis, V-N 2011/2.13, M.E. van Hilten, ‘Naar een Europese belastingkamer’, NTFR 2011/736 en J.Th. Sanders, commentaar bij HvJ EU 7 maart 2013, nr. C-275/11, NTFR 2013/597 (GfBk).
Uit het voorgaande hoofdstuk is te concluderen dat het duistere en onvolledige (btw-)recht in sterke mate vraagt om rechtspraak die recht doet aan de (bodem)eis van materiële rechtszekerheid (kenbaarheid en voorspelbaarheid) voor justitiabelen. Daarnaast heb ik vastgesteld dat op basis van Dworkins theorie, een rechtsvraag het meest optimale antwoord krijgt wanneer het antwoord het beste past binnen de doeleinden en waarden die ten grondslag liggen aan een regeling en de verantwoordelijkheid van degene die interpreteert. Met het in kaart brengen van de wezenlijke kenmerken van het btw-recht heb ik een normatief kader geschetst voor de doeleinden en waarden die door een rechter in acht moeten worden genomen wanneer het gaat om het beantwoorden van rechtsvragen over de btw.
De invulling en uitleg van het toepassingsbereik van de normen in het Unierecht komen voor een belangrijk deel voor rekening van het Hof van Justitie. De uitspraken van het Hof van Justitie leiden in zijn algemeenheid niet zelden tot gefronste wenkbrauwen en kritische beschouwingen.1 Zaken met betrekking tot de Unierechtelijke btw, en dan in het bijzonder zaken die zich bevinden in het grensgebied van de btw, zoals de geruisloze overgang en de aanpalende onderwerpen die in meer of mindere mate aan de orde komen in dit onderzoek, vormen hierop allesbehalve een uitzondering.2
In dit hoofdstuk doe ik onderzoek naar de wijze waarop het Hof van Justitie rechtspreekt. Op deze wijze wil ik een eerste laagje weefsel aanbrengen op het in het voorgaande hoofdstuk geschetste theoretisch skelet. Aan de hand van enkele kenmerken van de rechtspraak van het Hof van Justitie tracht ik inzicht te geven op welke wijze deze rechtspraak bijdraagt aan de groei en ontwikkeling van normen in het Unierecht. Daarbij beoog ik te verduidelijken waar de ruis kan ontstaan tussen de rechtspraak van het Hof van Justitie en de hierover vaak kritische beoefenaren van Unierecht, zoals nationale rechters, wetenschappers en (adviseurs van) justitiabelen. Vooropgesteld moet hierbij worden dat mijn doel niet is om de besproken casuïstiek langs de in het voorgaande hoofdstuk geformuleerde toets voor (on)wenselijk recht te plaatsen. Het doel is juist om deze toets aan te vullen met inzichten over de wijze waarop het Hof van Justitie zijn verantwoordelijkheid neemt.