Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/2.4.4
2.4.4 Interpretatie als verantwoordelijke bezigheid
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS416979:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit betekent niet dat het geschetste kader slechts voor rechterlijke arbeid hoeft te gelden. Eenieder die het recht interpreteert teneinde een rechtsvraag bevredigend te beantwoorden (zoals wetenschappers of justitiabelen) kan hetzelfde kader hanteren. Vanuit de verantwoordelijke positie van de rechter is dit kader evenwel een vereiste.
R. Dworkin, Justice for hedgehogs, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 2011, blz. 134 e.v. Andere vormen van interpretatie zijn uitleggend (explanatory) en conceptueel (conceptual). Men moet voor ogen houden dat deze verschillende interpretatiewijzen naast elkaar bestaan en elkaar in principe niet in de weg zitten. Zo kan een historicus de Btw-richtlijn interpreteren als een voorbeeld van de intentie in de jaren 60 om tot een interne Europese markt te komen. Dat is een uitleggende interpretatie die niets af doet aan de collaboratieve interpretatie door een rechter van diezelfde richtlijn. Het is belangrijk om vast te stellen dat beide interpretaties twee verschillende takken van sport vertegenwoordigen.
Zo is niet uit te sluiten dat het voornaamste oogmerk van een minister met het invoeren van een regeling herverkiezing, populariteit of begrotingsevenwicht is.
Met ‘opsteller’ bedoel ik in dit verband niet de jurist die de wettekst heeft geredigeerd of de politicus die het initiatief heeft genomen voor de wet. Het is de wetgever als instrument van de maatschappelijke, politieke moraliteit die zijn beslag krijgt. Zie over de juridische ‘wil van de wetgever’ H.W.M. van Kesteren, Fiscale rechtswil, Arnhem: Gouda Quint 1994, blz. 21 e.v.
R. Dworkin, Law’s Empire, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1986, blz. 57.
Zie HvJ EG 10 maart 2011, nr. C-540/09, NTFR 2011/640 (Skandinavia Enskilda Banken AB).
R. Dworkin, Justice for hedgehogs, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 2011, blz. 130.
Hoe kan nu worden vastgesteld welke interpretatie de meest optimale is? Ik beperk me hierbij tot de interpretatie van het recht door rechters.1 Hierbij is het besef van belang dat de interpretatieve arbeid van een rechter altijd collaboratief van aard is.2 De rechter zal moeten samenwerken met de opsteller of bedenker van de regeling om te achterhalen welke doeleinden of waarden hieraan ten grondslag liggen of ermee worden gediend. Hij dient zich er bovendien van bewust te zijn dat zijn interpretatie deel uitmaakt van een grotere onderneming, namelijk die van alle uitleggingen en interpretaties die in het kader van datzelfde doel reeds zijn gegeven. Zijn interpretatie wordt deel van een traditie.
Waar ik hier spreek over de intenties en doeleinden die ten grondslag liggen aan een regeling, bedoel ik niet dat de rechter altijd via een combinatie van wetshistorische en teleologische interpretatie moet zien te achterhalen wat er in de hoofden omging van de mensen die de regeling opstelden op het moment dat zij hem opstelden. Los van feitelijke moeilijkheid van het achterhalen van (historische) gedachten is de vraag of de tijd- en plaatsgebonden intenties en doelstellingen van de politici die een wet aannemen ons wel echt iets bruikbaars opleveren.3 De intentie die moet worden gevonden en de grondslag wordt voor de interpretatie, is geen vaststaand historisch gegeven maar een inzicht dat past en thuishoort in het doel van de regeling, op een wijze die de opsteller4 van de regeling zou hebben kunnen steunen en erkennen.5
Als voorbeeld zou kunnen worden genoemd dat het inhuren van een gegevensverwerkend IT-systeem om gegevens met betrekking tot overmakingen tussen banken te kunnen uitwisselen op grond van de waarden en doeleinden van de btw-regelgeving niet binnen de reikwijdte van een vrijstelling kan vallen, niettegenstaande het feit dat een dergelijk systeem nog niet bestond bij het invoeren van de financiële vrijstellingen.6
De rechter moet ervan overtuigd zijn dat zijn interpretatie als succesvol heeft te gelden in de collaboratie die hij is aangegaan met de intenties, doeleinden en waarden die ten grondslag liggen aan de wettelijke regeling die hij interpreteert. Hij moet die regeling in het best mogelijk licht laten zien. Hierbij moeten we daarom erkennen dat de rechter niet alleen de doeleinden en waarden van de opstellers van de regeling heeft te interpreteren. Om overtuigd te zijn dat die opsteller zich zou hebben kunnen vinden in zijn interpretatie dient hij een interpretatie te geven van die doeleinden en waarden, alsmede een interpretatie van de daaraan ten grondslag liggende waarden en beginselen, en uiteindelijk een interpretatie van zijn eigen waarden en opvattingen over recht en rechtvaardigheid. Dit maakt interpretatie tot een activiteit die leidt tot interpretatie en tot interpretatie van die interpretatie. Zoals Dworkin zegt: “Interpretation is interpretive […], all the way down.”7
Bovenstaande maakt interpretatie door een rechter tot een verantwoordelijke bezigheid. Het zal uiteindelijk steeds een interpretatie moeten zijn van de beginselen en waarden die ten grondslag liggen aan een regeling en die regeling in het licht van die beginselen en waarden in zijn beste licht moeten tonen. Er is dus altijd één meest juiste interpretatie, binnen het kader van de verantwoordelijkheid van degene die interpreteert.
Wat betekent deze theoretische uiteenzetting nu voor mijn zoektocht naar (on)wenselijk btw-recht? In ieder geval verschaft het ons een skelet dat als basis kan dienen voor een meer normatieve toets voor rechterlijk handelen. Voorzichtigheid is hierbij geboden aangezien Dworkin geen lakmoesproef verschaft voor juist of onjuist, maar slechts op theoretisch niveau pleit voor het belang van de overtuiging van het bestaan van juiste en onjuiste interpretaties gezien in het licht van de doeleinden en waarden die aan de interpretatie ten grondslag liggen en de verantwoordelijkheid van degene die interpreteert. Daarbij realiseer ik mij dat ik mij op een interpretatief pad begeef wanneer ik tracht vast te stellen welke doeleinden en waarden ten grondslag liggen aan het btw-recht en op welke wijze hieraan succesvol recht kan worden gedaan. Hierna bespreek ik daarom de wezenlijke kenmerken van het btw-recht. Ik stel vast dat die wezenlijke kenmerken ten minste deel zouden moeten zijn van de doeleinden en waarden die worden geïnterpreteerd wanneer een vraag op het gebied van btw te beantwoorden is. Het zijn immers deze kenmerken, die bepalen wat het karakter is van de Unierechtlijke btw, en in die zin richtinggevend behoren te zijn voor de uitleg van de meer specifieke, materieelrechtelijke regels die op de fundamenten van deze wezenlijke kenmerken zijn gebouwd.