Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.5.5.1:6.5.5.1 Het arrest Becker
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.5.5.1
6.5.5.1 Het arrest Becker
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS416995:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zaak Becker betrof de vraag naar de aftrekbaarheid van btw op kosten die door een belastingplichtige werden gemaakt voor de juridische bijstand in de strafrechtelijke vervolging van de zaakvoerder van de onderneming. Het Hof van Justitie gaat in het oordeel op de vertrouwde wijze te werk. Het geeft aan dat aftrek mogelijk is indien een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de gemaakte kosten en een belastbare handeling in een later stadium en dat dit het geval is indien de gemaakte kosten onderdeel zijn van de prijs van de belastbare handeling in een later stadium. Vervolgens brengt het Hof van Justitie in herinnering dat niettemin eveneens een recht op aftrek bestaat indien de gemaakte kosten algemene kosten vormen en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van alle belastbare handelingen in een later stadium.
Op basis van de vragen van de Duitse verwijzende rechter onderzoekt het Hof van Justitie vervolgens in hoeverre de objectieve inhoud van de ingekochte diensten, invloed heeft op de vraag of sprake is van een rechtstreeks en onmiddellijk verband. De gemaakte kosten hebben immers betrekking op de persoonlijke strafrechtelijke vervolging en hebben als zodanig niet een rechtstreeks verband met de belastbare activiteiten van de onderneming. Daartegenover staat dat het Hof van Justitie in Investrand oordeelde dat aangezien bepaalde kosten niet hun uitsluitende oorzaak vinden in de voortzetting van de economische activiteit, niet kan worden aangenomen dat deze kosten in rechtstreeks en onmiddellijk verband met deze activiteit staan. Hieruit lijkt acontrario voort te vloeien dat indien kosten niet zouden zijn gemaakt wanneer geen belastbare handeling in een later stadium zou zijn verricht, wel sprake zou zijn van een rechtstreeks en onmiddellijk verband. In dat verband staat vast dat de gemaakte kosten in het arrest Becker niet zouden zijn gemaakt als de belastbare activiteit niet was verricht, aangezien de directeur frauduleuze handelingen verrichtte in de uitoefening van zijn taak als directeur, waar vervolgens de strafvervolging uit voortvloeide. Een dergelijk verband acht het Hof van Justitie echter niet voldoende. Op basis van aanwijzingen van de verwijzende rechter oordeelt het Hof van Justitie dat de strafvervolging volledig buiten de context van de economische activiteit van de onderneming valt, waardoor aftrek niet mogelijk is. Overigens valt uit de zaak Becker op te maken dat de bestuurder werd vervolgd voor vermeende misdrijven die hij had gepleegd in zijn hoedanigheid als bestuurder van de onderneming. Naar mijn idee ligt het dan voor de hand dat de kosten dan toch hun oorzaak vinden in de economische activiteit van de onderneming. Een andersluidend oordeel had ik dan ook logischer gevonden. De zaak toont evenwel aan dat steeds een feitelijke afweging moet worden gemaakt.
Het Hof van Justitie bevestigt hiermee naar mijn indruk het uitgangspunt dat gemaakte kosten hun uitsluitende oorzaak moeten vinden in de economische activiteit om als algemene kosten te kunnen worden aangemerkt. Interessant is dat het daarbij in voorkomend geval van belang is verder te kijken dan het strikte causale verband tussen gemaakte kosten en de economische activiteit. Ook op basis van de objectieve inhoud van de gemaakte kosten dient te worden vastgesteld of die kosten hun oorzaak vinden in de economische activiteit. Steeds moet daarom worden afgewogen of kosten zijn gemaakt in het kader van de economische activiteit en als zodanig onderdeel vormen van de kostprijs van de belastbare handelingen in een later stadium.