Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/5.0
5.0 De juridische grondslag van het vertrouwen: verdragen
Datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- JCDI
JCDI:ADS454605:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Trb. 2004, 216.
Artikel 2 Algemene beginselen: ‘Een op het grondgebied van een Partij gevonniste persoon kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, naar het grondgebied van de andere Partij worden overgebracht teneinde de aan hem opgelegde sanctie te ondergaan’ (mijn cursivering, TK).
Kamerstukken I/II 2004/05, 29 807 (R 1769), A en nr. 1 (Thailand), p. 5.
De in zekere zin hybride vorm van uitlevering bij een verstekvonnis wordt buiten beschouwing gelaten. Veelal is vereist dat de opgeëiste persoon nog moet kunnen opkomen tegen een dergelijk verstekvonnis, zodat de veroordeling in principe nog niet onherroepelijk is.
Een volgende dimensie van het vertrouwensbeginsel betreft de juridische grondslag van het vertrouwen: waarop is de aanname gebaseerd, door bijvoorbeeld de wetgever, het bestuur of de rechter, dat er bij de ene staat en zijn organen vertrouwen bestaat in (een onderdeel van) de strafrechtspleging en/of (één van) de daarbij betrokken functionarissen in de andere staat? Zoals al eerder aangegeven kan het vertrouwen zijn oorsprong hebben in het toepasselijke verdrag. Daarvan zijn twee varianten te onderscheiden die in sommige gevallen samenhangen. Het vertrouwen kan zowel abstract als concreet voortvloeien uit het verdrag. Het is van groot belang vast te stellen waarop het vertrouwen is gebaseerd. De grondslag van het vertrouwen dicteert namelijk in belangrijke mate de werking ervan. Dit is in eerste instantie van belang voor de opsteller van het verdrag en de wetgever die het verdrag goedkeurt. Als met een bepaalde staat of meerdere staten een verdrag wordt aangegaan dat een bepaald rechtshulpinstrument regelt, impliceert dit de beginselbereidheid om samen te werken en de hoofdonderdelen van het strafproces die bij de betreffende vorm van rechtshulp inherent bij de andere staat zijn ondergebracht aan die staat te laten en op de uitvoering van die hoofdonderdelen te vertrouwen. Illustratief is een citaat uit de toelichtende nota bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand inzake de overbrenging van gevonniste personen en de samenwerking bij de tenuitvoerlegging van strafvonnissen:1
‘Uit deze bepaling [artikel 2 van het Verdrag, TK2] blijkt, dat het verdrag overbrenging mogelijk maakt, maar dat het – zoals gebruikelijk – geen recht op overbrenging creëert. Artikel 2, tweede lid, van het RvE-verdrag bevat een soortgelijke regeling. Het is van belang hier op te wijzen opdat de juridische situatie van de Nederlandse gedetineerden in Thailand en van Thaise gedetineerden in Nederland duidelijk is en ongerechtvaardigde verwachtingen bij henzelf of hun familieleden worden voorkomen. Het feit dat er geen individueel recht tot overbrenging bestaat, wil niet zeggen dat daardoor voor betrokkenen een uiterst onduidelijke situatie ontstaat. Immers, uit het enkele feit dat landen een WOTS-verdrag met elkaar sluiten, volgt al, dat de betrokken landen bereid zijn samen te werken bij de overbrenging van gevonniste personen. Verder bevat dit verdrag, zoals elk WOTS-verdrag, de belangrijkste voorwaarden voor een overdracht. Voldoet men aan die voorwaarden dan is een verzoek in beginsel kansrijk.’3
Zo betekent ook het sluiten van een uitleveringsverdrag met een bepaalde staat dat Nederland in beginsel bereid is om een opgeëiste persoon ter fine van vervolging of executie uit te leveren.
Een dergelijke beginselbereidheid impliceert dat Nederland in beginsel ook voldoende vertrouwen heeft in het rechtsstelsel van die andere staat, in elk geval waar het de berechting in strafzaken betreft. In het ene geval, vervolgingsuitlevering, zal die berechting nog plaatsvinden na de uitlevering, in het andere geval heeft de berechting al plaatsgevonden voorafgaand aan de uitlevering.4 Een vergelijkbare inherente taakverdeling is bij alle vormen van rechtshulp aanwezig. En bij het sluiten van een verdrag is er in al die gevallen de beginselbereidheid op die verdeling te vertrouwen. Zou dat anders zijn, dan zou het sluiten van het verdrag een farce zijn; een dergelijke absolute onwil zou in strijd zijn met het eerder ook al aangehaalde adagium pacta sunt servanda.
In de praktijk hangt echter veel af van de formulering van het verdrag. Het ene verdrag is dwingender geformuleerd dan het andere. Uitleveringsverdragen verplichten doorgaans tot uitlevering mits aan de voorwaarden is voldaan en tenzij een weigeringsgrond aanwezig is. De meeste andere algemene verdragen (verdragen die een bepaalde vorm van rechtshulp en niet een bepaald inhoudelijk onderwerp regelen, zoals drugsverdragen) zijn min of meer vrijblijvend geformuleerd, al is vaak wel een intentie geformuleerd. Zo bepaalt het VOGP in artikel 2, eerste lid, dat
‘[t]he Parties undertake to afford each other the widest measure of cooperation in respect of the transfer of sentenced persons in accordance with the provisions of this Convention’.
In artikel 1, eerste lid, ERV is een vergelijkbare bepaling opgenomen:
‘The Parties undertake promptly to afford each other, in accordance with the provisions of this Convention, the widest measure of mutual assistance in proceedings in respect of offences the punishment of which, at the time of the request for assistance, falls within the jurisdiction of the judicial authorities of the requesting Party.’
Dergelijk vertrouwen op basis van of zelfs gedicteerd door bepalingen uit het verdrag zelf kan worden gezien als concreet uit een verdrag voortvloeiend vertrouwen. In dat geval bepaalt een verdrag in concreto hoever de toetsing van bijvoorbeeld een verzoek tot samenwerking mag reiken. Waar het verdrag bepaalt dat een zeker aspect niet aan toetsing door bijvoorbeeld de aangezochte staat mag worden onderworpen, is er sprake van concreet uit het verdrag voortvloeiend, men zou kunnen zeggen: door het verdrag opgelegd, vertrouwen. Bij de abstracte variant van uit het verdrag voortvloeiend vertrouwen is de werking daarvan veel minder sterk.
Naast deze vormen van op het bestaan van een verdrag gebaseerd vertrouwen, is er nog vertrouwen dat voortkomt uit de gebondenheid van een bepaalde staat of een bepaalde groep van staten aan algemene normerende verdragen, meestal van mensenrechtelijke aard. Dit is in Europees verband het duidelijkst, om niet te zeggen evident, waar het gaat om het EVRM. Het is van belang daar meteen bij te betrekken dat het EVRM niet enkel mensenrechtelijke normen formuleert, maar ook een juridisch bindend toezichtmechanisme kent in de vorm van het EHRM. Dit heeft vanzelfsprekend implicaties voor het vertrouwen dat uitgaat van de gelding van en gebondenheid aan een mensenrechtenverdrag.
Niet alleen voor de bij de sluiting van een verdrag betrokken functionarissen is het van belang te weten waar een bepaalde vorm van vertrouwen op is gebaseerd. Ook de concreet bij een rechtshulpverzoek betrokken functionarissen zijn gebaat bij inzicht daarin. De opsteller van een rechtshulpverzoek weet dan immers welke al dan niet dwingende werking uitgaat van zijn verzoek. Hij is zich bewust van de voorwaarden en weigeringsgronden die uit het verdrag voortvloeien, maar weet ook dat bij de verschillende vormen van rechtshulp een bepaalde taakverdeling gegeven is. Omgekeerd is degene die een rechtshulpverzoek ontvangt zich bewust van de grondslag van dat verzoek en de beoordelingsruimte die hij verdragsrechtelijk wel of niet heeft. Ook is hij beter in staat na te gaan welke argumenten er voor en tegen een bepaald gebruik van die beoordelingsruimte zijn. Het verdrag kan immers toestaan een bepaald aspect te toetsen, maar daar weer niet toe dwingen (dit worden doorgaans facultatieve weigeringsgronden genoemd).