Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/3.6.6
3.6.6 “Risk appetite”
mr. drs. P. Laaper, datum 17-11-2015
- Datum
17-11-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS602195:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 13a, lid 1 jo. art. 1a Besluit FTK.
Overweging 31, Pensioenrichtlijn; DNB Beleggingsonderzoek 2010, p. 4. De Commissie Frijns vond voor de sector als geheel evenwel weinig verband tussen de kenmerken van fondsen en hun beleggingsbeleid (Commissie Frijns 2010, p. 36- 37).
Bijv. Rb Amsterdam 16 januari 2012, JOR 2012/82, m.nt. Rutten; PJ 2012/43, m.nt. Lutjens (Unisys). Zie verder Van Marwijk Kooy 2013 en Van Marwijk Kooy 2012.
Dat speelde in de zaak Rb Rotterdam 25 april 2013, JOR 2013/178, m.nt. Voerman & Kuiper (Johnson & Johnson). Het pensioenfonds verkeerde in financieel zwaar weer. De werkgever verplichtte zich tot bijstorting indien de dekkingsgraad van het fonds onder 110% zou dalen. Als voorwaarde voor de bijstorting was opgenomen dat ten minste 60% in zakelijke waarden werd belegd.
Zie Van Setten 2009, nr. 1.14.
Het fonds moet bepalen hoeveel risico’s het kan dragen (risico-draagkracht) en wil dragen (risico-bereidheid).1 Daarbij moet het letten op fondsspecifieke karakteristieken, zoals de rijpheid van het fonds, het indexatiebeleid, de omvang van de buffers en de mogelijkheid om de pensioenpremies te verhogen.2 Discutabel is of ook bijstortingsverplichtingen van werkgevers mee mogen spelen bij het nemen van risico’s. Bijstortingsverplichtingen kunnen lang niet altijd worden afgedwongen.3 Het fonds dat er eenvoudig vanuit gaat dat de bijstorting in voorkomend geval wel zal worden gedaan, loopt het risico dat zijn beleggingsbeleid als niet-prudent en zijn bedrijfsvoering als niet- of onvoldoende beheerst wordt aangemerkt.4
Een beheerste bedrijfsvoering impliceert dat het fonds onderzoekt of zijn “risk appetite” ook onder economisch ongunstige scenario’s niet overschreden wordt. Gewoonlijk omvat een ALM-studie ook een scenario-analyse. Een ALM-studie is een omvangrijke klus en wordt daarom gewoonlijk slechts eens per drie jaar verricht. Bij belangrijke ontwikkelingen is het echter zaak om te bezien of het beleggingsbeleid nog steeds past bij de “risk appetite”. Het kan daarbij gaan om veranderingen in de eigen organisatie, bijvoorbeeld een gedaalde dekkingsgraad. Het kan ook gaan om veranderingen in de omgeving, zoals een verhoogde volatiliteit op de financiële markten of aangescherpte prudentiële regelgeving.5