Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/4.3.1
4.3.1 Fiscaliteit en het beroep: de inkomstenbelasting algemeen
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS391521:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Die in Nederland wonen of die niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (art. 2 lid 1 Wet IB 2001).
Dit is het geval als de rechtspersoon een onderneming drijft. Furer e.a. 2010, p. 31.
Stevens & De Smit 2015, p. 150.
Met uitzondering van de commanditaire vennoot. Omdat deze vennoot niet rechtstreeks verbonden wordt voor de verbintenissen van de vennootschap is hij op basis van art. 3.4 Wet IB 2001 fiscaal gezien niet aan te merken als ondernemer (zie ook paragraaf 4.3.1.1) maar als zogenoemde medegerechtigde (art. 3.3 Wet IB 2001). Vanwege het beheersverbod is het, zoals in hoofdstuk 2 besproken, civielrechtelijk gezien niet aannemelijk dat beroepsbeoefenaren als commanditaire vennoten met elkaar zullen samenwerken. Daarom wordt er hier dan ook niet dieper ingegaan op fiscale positie van de commanditaire vennoot (medegerechtigde). Zie hierover Marres e.a. 2013, p. 62-63.
Dit is anders voor de omzetbelasting. Daar geldt dat het samenwerkingsverband zelf aan te merken is als belastingplichtig ondernemer, zie Stevens & De Smit 2015, p. 148.
Wasch 2015, p. 33.
Dividend en vervreemdingsresultaat bij al dan niet fictieve vervreemding van aandelen.
Wasch 2015, p. 2.
Tenminste, wanneer men minder dan 5% van de aandelen bezit en dus geen aanmerkelijk belang heeft. Zoals gezegd vallen inkomsten uit aanmerkelijk belang immers in box 2.
Furer e.a. 2010, p. 34.
N.B. per 1 januari 2017 verandert het tariefsysteem van box 3. Er wordt een schijvensysteem geïntroduceerd met drie schijven. In de eerste schijf (vermogen tot en met € 75.000) wordt 67% belast tegen een tarief van 1,63% en 33% belast tegen een tarief van 5,5%. In de tweede schijf (vermogen van € 75.001 tot en met € 975.000) wordt 21% belast tegen een tarief van 1,63% en 79% tegen een tarief van 5,5%. In de derde schijf (vermogen vanaf € 975.001) wordt het vermogen belast tegen een tarief van 5,5%.
Belangrijk bij de heffingskortingen is dat deze alleen worden uitbetaald als voldoende belasting is verschuldigd. Alleen diegene die daadwerkelijk belasting betaalt, heeft recht op de korting. Wasch 2015, p. 3-4.
De inkomstenbelasting is een directe belasting die geheven wordt van natuurlijke personen1 over hun verzamelinkomen. Rechtspersonen zijn niet onderhevig aan inkomstenbelasting. Die kunnen op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) onderhevig zijn aan vennootschapsbelasting (zie verder paragraaf 4.3.2).2 Zoals gezegd, speelt de inkomstenbelasting in het kader van dit onderzoek (met name) een rol wanneer gekozen wordt voor de samenwerking in een fiscaal transparante rechtsvorm. Dit zijn de rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid zoals de maatschap, de v.o.f. en de commanditaire vennootschap. Fiscaalrechtelijk staan bij deze samenwerkingsvormen steeds de participanten centraal. De personenvennootschappen bestaan fiscaal gezien namelijk niet; fiscaal bestaan er evenveel ondernemers als er vennoten in het samenwerkingsverband zijn.
Het resultaat van het samenwerkingsverband wordt toegerekend aan de achterliggende participanten.3 Deze worden ieder afzonderlijk belast voor de winst die zij uit de onderneming genieten. Iedere participant (lees: vennoot) heeft voor de inkomstenbelasting zijn eigen onderneming met een eigen ondernemingsvermogen. Iedere ondernemer (lees: vennoot4) kan daarbij zijn eigen ondernemersfaciliteiten benutten, mag zijn eigen winstbepalingsstelsel kiezen en kan daarbij zijn eigen systeem van fiscale winstbepaling (afschrijving, debiteurenwaardering et cetera) hanteren. Het samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid heeft als zodanig geen eigen belastingplicht.5 Er wordt als het ware door de onderneming heen gekeken; het is fiscaal transparant.6
De Wet IB 2001 trad op 1 januari 2001 in werking. Op dat moment werd het boxenstelsel ingevoerd in de inkomstenbelasting. De heffing van deze belasting geschiedt op basis van dit stelsel over drie zelfstandige gesloten boxen met elk een eigen tarief en heffingsgrondslag. Box 1 bevat het inkomen uit ‘werk en woning’ waaronder bijvoorbeeld de belastbare winst uit onderneming valt. De inkomsten uit box 1 worden belast tegen een progressief tarief dat (over vier schijven) varieert van 36,55%7 (laagste tarief) tot 52% (toptarief).8
In box 2 wordt het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang belast. Wanneer men 5% of meer van de geplaatste aandelen (geplaatst kapitaal) van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld (BV of NV) bezit, vallen de opbrengsten9 die men daaruit verkrijgt, in deze box.10 Het inkomen uit aanmerkelijk belang wordt belast tegen een vast tarief van 25%.
Box 3 bevat, ten slotte, het inkomen uit sparen en beleggen. Voorbeelden hiervan zijn spaartegoeden, de inkomsten uit aandelen11 en een tweede woning. Verondersteld wordt dat er jaarlijks een fictief rendement van 4% wordt behaald op het vermogen in deze box op 1 januari van een kalenderjaar. Dit fictieve rendement wordt belast tegen een tarief van 30%.12 Dit betekent dat er dus feitelijk 1,2% belasting wordt geheven over de waarde van het netto belastbaar vermogen in box 3.13
De drie boxen van de inkomstenbelasting staan op zichzelf, (verlies)verrekening tussen de verschillende boxen is in principe niet mogelijk. Daarnaast wordt altijd de volgorde van de boxen (ook binnen de boxen zelf) aangehouden bij de toerekening van bepaalde inkomsten: inkomsten uit onroerende zaken waaraan arbeid is verricht kunnen bijvoorbeeld pas tot inkomsten uit overige werkzaamheden worden gerekend wanneer deze niet aan een eerdere bron (bijvoorbeeld winst uit onderneming) kunnen worden toegerekend.14
In de inkomstenbelasting bestaat tot slot een belastingkorting, de zogenoemde heffingskorting. Deze kortingen zijn bedragen die in mindering kunnen worden gebracht op de verschuldigde inkomstenbelasting. Iedereen die inkomstenbelasting moet betalen heeft recht op een algemene heffingskorting. Daarnaast bestaat er een aantal bijzondere heffingskortingen, waarop alleen bepaalde groepen een beroep kunnen doen.15
4.3.1.1 De beroepsbeoefenaar: onderneming, ondernemer en winst uit onderneming?