Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/148:148 Geen immuniteit voor (faillissements)beslag
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/148
148 Geen immuniteit voor (faillissements)beslag
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD21604:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Opmerking verdient dat partijen door een tussen hen gemaakt beding niet kunnen verhinderen dat een vordering wordt geïnd door een beslaglegger of een faillissementscurator, noch dat op het aldus geïnde verhaal wordt genomen. Partijen kunnen weliswaar overeenkomen dat een vordering niet door een derde kan worden geïnd, maar een dergelijk beding is nietig voor zover het inning en verhaal door (de gezamenlijke) schuldeisers door middel van een (faillissements)beslag beoogt uit te sluiten.1
Art. 3:276 BW bepaalt dwingend dat het gehele vermogen van een schuldenaar aan verhaal door zijn schuldeisers bloot staat, tenzij de wet of een overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar anders bepaalt. Een beding dat inning door een derde beoogt uit te sluiten, sluit weliswaar verkoop van de vordering door een curator of beslaglegger niet uit, maar een vordering die niet door een derde kan worden geïnd zal geen verkoopwaarde hebben en zou, als een dergelijk beding werking jegens een beslaglegger of curator zou hebben, uitwinning door een beslaglegger of een curator toch illusoir kunnen maken. Aannemelijk is dat een beding waarin inning van een vordering door een beslaglegger of een faillissementscurator is uitgesloten, nietig is op grond van art. 3:276 BW.2
Voor de goede orde zij er nog op gewezen dat in de tekst van art. 3:276 BW weliswaar niet is opgenomen dat uitsluitend een beding tussen een schuldenaar en zijn schuldeiser verhaal door die schuldeiser kan uitsluiten, en derhalve niet een beding tussen een schuldenaar en een derde zoals een andere schuldeiser of een debiteur van een vordering, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling wel zo moet worden uitgelegd.3