Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/146
146 Vatbaarheid voor overdracht of verpanding als eigenschap van de vordering
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 14-08-2025
- Datum
14-08-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD21612:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook M.H.E. Rongen in zijn noot in JOR en H.J. Snijders in zijn noot in NJ onder HR 17 januari 2003, JOR 2003/52, NJ 2004, 281 (Oryx/Van Eesteren) en Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 202b.
Aldus ook Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 57.
Zo ook Van Achterberg 1999, nr. 4, Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 47-49 en Van Engelen 2003. Dit vloeit ook voort uit HR 5 november 1993, NJ 1994, 640 m.nt. HJS (Ontvanger/Bartering).
Zie Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 61. Vgl. ook HR 20 januari 1984, NJ 1984, 512 m.nt. G (Ontvanger/Barendregt), waarin de Hoge Raad oordeelde dat tussen een schuldeiser en een schuldenaar vóór een op een vordering gelegd beslag gemaakte bedingen aan de beslaglegger kunnen worden tegengeworpen.
Zie HR 29 januari 1993, NJ 1994, 171 m.nt. PvS (Van Schaik q.q./ABN AMRO). Zo ook reeds Wiarda 1937, p. 368-369.
Vgl. Wiarda 1937, p. 367.
Zie voornoemd arrest Van Schaik q.q./ABN AMRO. Zie ook Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 186-187.
Anders Verhagen en Rongen 2000, p. 99-100. Zij lijken de opvatting te huldigen dat voor goederenrechtelijke werking van een onoverdraagbaarheidsbeding een wettelijke grondslag vereist is.
Partijen kunnen een onoverdraagbaarheidsbeding uitsluitend obligatoire werking geven.1 In dat geval kan een overdracht in strijd met dit beding wel tot overgang van de vordering leiden. Dat de schuldeiser in dat geval tekortschiet jegens de schuldenaar doet daar niets aan af. Dat partijen zich uitsluitend verbintenisrechtelijk hebben willen binden en de onoverdraagbaarheid of onverpandbaarheid niet tot inhoud van de vordering hebben willen maken ligt echter niet voor de hand. Zonder aanwijzingen in die richting moet het er voor worden gehouden dat partijen een dergelijk beding tot de inhoud van de vordering hebben willen maken.
Verbinden partijen zich niet (alleen) jegens elkaar om een vordering niet over te dragen, maar komen zij overeen dat een vordering onoverdraagbaar is, dan maakt deze onoverdraagbaarheid deel uit van de inhoud van de vordering; het wordt een eigenschap van de vordering als object.2 Omdat dit object voor derden, zoals pandhouders en beslagleggers, een voldongen feit is waar zij geen invloed op hebben, heeft dit beding ook werking tegenover derden:3 het heeft goederenrechtelijk effect.4 Hebben partijen bedongen dat een vordering niet kan worden overgedragen, dan is overdracht ervan onmogelijk; een subject kan niet meer rechten overdragen dan waarvan hij de rechthebbende is.5 Partijen kunnen vorderingsrechten uit hun overeenkomst op deze wijze tot hoogstpersoonlijke rechten maken, rechten die uitsluitend tussen deze partijen bestaan.6 Een wettelijke grondslag voor het goederenrechtelijk effect van een onoverdraagbaarheidsbeding is niet vereist;7 art. 3:83 lid 2 BW, dat bepaalt dat de overdraagbaarheid van een vordering door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar kan worden uitgesloten, is zo bezien een overbodige bepaling.8
Wat partijen ten aanzien van de (on)overdraagbaarheid en/of de (on)verpandbaarheid van een vordering zijn overeengekomen moet door uitleg van hun overeenkomst worden vastgesteld.