Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.5:5.5 Is art. 5:20 lid 2 BW ook een uitzondering op 3:4 BW?
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/5.5
5.5 Is art. 5:20 lid 2 BW ook een uitzondering op 3:4 BW?
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489139:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
F.J. Vonck, ‘Eigendom van onbevoegd of in eigen grond aangelegde netten’, WPNR 2015/7071.
H.W. Heyman, ‘Het goederenrechtelijk statuut van ondergrondse constructies (in het bijzonder kabels en leidingen) in het Nederlandse recht’, in: Ondergrondse constructies in het Belgische en Nederlandse recht, Antwerpen: Intersentia 2007, p. 42.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het slot van dit hoofdstuk resteert nog één vraag, die de plaats van dit hoofdstuk in het geheel zal verklaren.
Is art. 5:20 lid 2 BW slechts een uitzondering op art. 5:20 lid 1 BW of ook op art. 3:4 BW? Deze vraag werd opgeworpen door Vonck. Hij vroeg zich af of een leiding in een woning tussen de meterkast en het stopcontact zich leent voor afzonderlijk eigendom.1 Het antwoord op deze vraag dient ontkennend te luiden. Ook Heyman stelt dit: “Vergelijking van de bepaling met artikel 5.6 Tw maakt duidelijk dat het hier alleen gaat om doorbreking van de verticale natrekking en niet van de bestanddelenregel van artikel 3.4 BW.”2 Art. 5:20 lid 2 BW bepaalt in de eerste zinsnede: “In afwijking van lid 1 (…).” Daarnaast is in het voorgaande hoofdstuk uiteengezet dat art. 5:20 lid 1 BW een uitwerking is van art. 5:3 BW, maar niet van art. 3:4 BW. Dit brengt met zich dat het enkel natrekking op grond van art. 5:20 lid 1 BW doorbreekt en niet natrekking op grond van art. 3:4 BW.
Conclusie
In dit hoofdstuk is de rol van de verkeersopvatting bij natrekking van kabels en leidingen besproken. Art. 5:20 lid 2 BW geeft een uitzondering op de natrekkingsregel van art. 5:20 lid 1 BW voor netten, bestaande uit één of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie die is of wordt aangelegd in, op of boven de grond van anderen. Het artikellid bepaalt dat de eigendom van zo een net toebehoort aan de bevoegde aanlegger van dat net (of diens rechtsopvolger).
Onder zo een net wordt een feitelijke en functionele eenheid verstaan, te beoordelen aan de hand van de verkeersopvatting. Ook de omvang van het net wordt bepaald aan de hand van de verkeersopvatting. Dit is de verkeersopvatting als bedoeld in 3:4 lid 1 BW, te weten de bepaling omtrent bestanddeelvorming. Al hetgeen bestanddeel is van het net als bedoeld in art. 5:20 lid 2 BW wordt omvat door het eigendomsrecht van de eigenaar van het net (art. 5:3 BW).
Het bijzondere aan netten is dat zij deelbaar zijn, zonder dat zij hiervoor deze fysiek afgescheiden hoeven worden. Door overdracht van een gedeelte van een net en inschrijving daarvan in de openbare registers ontstaat een deelnet. Niet ieder gedeelte kan echter afgescheiden te worden. Het deelnet dient een zelfstandige zaak te vormen (art. 3:84 lid 2 BW). Ook dit wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersopvatting.
Geconcludeerd is dat de verkeersopvatting met betrekking tot natrekking van netwerken, dan wel de doorknip daarvan, van doorslaggevende betekenis is. Aan de hand van de verkeersopvatting wordt bepaald:
Of er sprake is van een net in de zin van art. 5:20 lid 2 BW;
Wat de omvang van zo een net is;
Of een gedeelte van het net zich leent voor afscheiding, in die zin dat het een deelnet kan vormen.