De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.20.4:IV.20.4 Rechtsvergelijkende bevindingen
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.20.4
IV.20.4 Rechtsvergelijkende bevindingen
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374123:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Duitse stelsel geldt dat voor het bestaan van een bevoegdheid tot intrekking voldoende is dat een beschikking onrechtmatig is. Hoewel gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de geadresseerde ertoe kan leiden dat de intrekkingsbevoegdheid in een concreet geval niet mag worden uitgeoefend (§ 48 lid 2 VwVfG), respectievelijk dat een verplichting bestaat de schade die de geadresseerde lijdt te vergoeden (§ 48 lid 3 VwVfG), is kennelijk het uitgangspunt dat een bevoegdheid tot intrekking steeds wenselijk is wanneer sprake is van een onrechtmatige beschikking. In het Nederlandse recht blijkt dat minder nadrukkelijk het geval te zijn. Een blik op de in deel III bestudeerde rechtsterreinen laat zien, dat een grond voor intrekking vanwege het enkele feit dat een beschikking onrechtmatig (onjuist) is (anders dan ten gevolge van het feit dat de geadresseerde onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt) vooral bestaat wanneer het financiële beschikkingen betreft. Wel wordt ingeval van onjuistheid van de beschikking een geïmpliceerde bevoegdheid aangenomen, wanneer in een bepaalde wettelijke regeling niets omtrent intrekking is bepaald.
Wat betreft de termijn voor intrekking geldt in het Duitse recht een algemene vervaltermijn van 1 jaar, welke gaat lopen op het moment dat alle voor intrekking relevante informatie bij het bestuursorgaan bekend is en duidelijk is dat deze feiten kunnen leiden tot intrekking van de beschikking. Deze termijn is in feite niet meer dan een beslistermijn. Daarnaast bestaat het leerstuk van de Verwirkung. Het Nederlandse recht inzake intrekking kent op enkele plekken in de wetgeving vervaltermijnen. Daarnaast hanteert de CRvB in zijn jurisprudentie termijnen. Voorts kan onder omstandigheden een beroep worden gedaan op tijdsverloop: in een concreet geval kan het feit dat een bestuursorgaan gedurende lange tijd geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot intrekking bij de geadresseerde het vertrouwen wekken dat de beschikking niet meer wordt ingetrokken. Het blijkt moeilijk te zijn om in algemene zin een termijn te geven binnen welke het bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik moet maken.
De Duitse regeling inzake intrekking kent een bepaling inzake compensatie. Wanneer een begunstigende beschikking wordt ingetrokken, wordt compensatie toegekend wanneer de geadresseerde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking. De Nederlandse regelingen inzake intrekking bepalen niet veel met betrekking tot een eventuele financiële genoegdoening. Veelal dient te worden teruggevallen op de rechtspraak en de (ten dele toekomstige) bepalingen van de Awb dienaangaande.
Ook in het Duitse systeem heeft men te maken met indirecte uitvoering van Unierecht. De bescherming die het Duitse vertrouwensbeginsel biedt gaat, gelet op hetgeen is bepaald in de §§ 48 en 49 VwVfG, verder dan het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel. Uit onder meer het arrest Alcan wordt afgeleid dat in een dergelijk geval delen van deze bepalingen buiten toepassing moeten blijven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de termijn van § 48 lid 4 VwVfG. Ingeval van indirecte uitvoering is de functie van de intrekkingsbepalingen vooral het vormen van een Durchsetzungshebel. Gelet op de uniformiteit van toepassing van deze bepalingen is een en ander minder wenselijk. In het Nederlandse stelsel wordt een andere benaderingswijze gekozen. Wanneer de waarborgen die op grond van de nationale intrekkingsbepalingen gelden, in strijd komen met het Unierecht, is de gedachte dat de bepalingen geen of althans onvoldoende grondslag bieden voor intrekking. Veel meer wordt dan de vraag gesteld of een basis kan worden gezocht in het Unierecht, bijvoorbeeld in een Europese verordening.
Een laatste constatering is de kwalificatie van de intrekking bij wijze van sanctie. Waar in de Nederlandse literatuur nogal eens wordt betoogd dat een intrekkingsbeslissing in een concreet geval een bestraffend karakter kan hebben, lijkt de Duitse opvatting tegengesteld te zijn. Waar al aandacht wordt besteed aan de vraag of een intrekking al dan niet bestraffend van aard kan zijn, wordt deze steevast ontkennend beantwoord. Dat verklaart wellicht dat geen relatie wordt gelegd met art. 6 EVRM. In de Nederlandse literatuur wordt, ondanks dat de rechter terughoudend is op dit punt, erkend dat een intrekkingsbeslissing onder omstandigheden een bestraffend karakter kan hebben. Een en ander wordt veelal geplaatst in het licht van art. 6 EVRM. Of daadwerkelijk sprake is van een bestraffende intrekking, dient naar de omstandigheden van het geval te worden beoordeeld.