Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.6.4
7.6.4 De Wissensvertreter in het Nederlandse recht
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS597346:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tjittes 2001b, p. 40.
Hof Den Haag 18 maart 2014, JOR 2014/136 (Ponzi-zwendel), r.o. 50. Het cassatieberoep tegen deze overweging is verworpen onder verwijzing naar art. 81 RO: HR 27 november 2015, NJ 2016/245, r.o. 4.7.
Tjittes 2001b, p. 40.
Tjittes 2001b, p. 42-43.
Dat wil zeggen: vertegenwoordigingsbevoegde organen. Zie over het onderscheid tussen organen in het kader van kennistoerekening par. 8.2.
HR 11 mei 1990, NJ 1990/544. Zie over dit arrest in meer detail par. 7.8.1.
Tjittes 2001b, p. 43. In dezelfde zin: Verbunt en Van den Heuvel 2007, p. 219 (voetnoot 33).
197. Tjittes heeft er in zijn Offerhauskring-lezing in 2001 voor gepleit om ook in Nederland het concept van de Wissensvertreter te hanteren bij de toerekening van kennis. Hij ziet als Wissensvertreter de functionaris wiens expliciete of impliciete taak of verantwoordelijkheid het is om de verkregen kennis te verwerven en zo nodig door te geleiden binnen de organisatie.1
Deze benadering is in 2014 ook gekozen door het Hof Den Haag. Bij mijn weten is dat de eerste keer dat dit in de Nederlandse rechtspraak zo uitdrukkelijk gebeurde. In een arrest van 18 maart 2014 acht het hof van belang (overigens zonder de term Wissensvertreter te gebruiken):
“of het de impliciete of expliciete taak of verantwoordelijkheid van de functionaris is om ofwel zelf iets te doen met de bij de uitoefening van zijn functie verkregen kennis, ofwel ervoor te zorgen dat deze kennis wordt doorgeleid naar een ander die geacht wordt deze kennis te kunnen gebruiken.”2
Dit citaat levert bruikbare elementen voor een hoofdregel over de toerekening van kennis in standaardgevallen. Het vereiste van ‘extern contact’ ontbreekt in de door Tjittes en het hof Den Haag gehanteerde formules. Mijns inziens is dat terecht; zie hetgeen ik daarover schreef in par. 7.6.3.
198. Hoewel Tjittes dus voorstander is van het gebruik van het concept van de Wissensvertreter, werkt hij dit idee niet verder uit. Hij beschrijft op diverse manieren hoe de kennis van functionarissen zou moeten worden toegerekend aan rechtspersonen zonder daar steeds verbanden tussen te leggen. Daarom blijft onduidelijk hoe zijn standpunt over Wissensvertretung zich verhoudt tot zijn andere standpunten. Tjittes neemt op enig moment als basis de automatische toerekening van kennis van iedere functionaris aan de organisatie en stelt vervolgens dat twee beperkingen gelden: het moet gaan om functionele kennis (dus geen privékennis) en de kennisdrager moet een Wissensvertreter zijn in bovenomschreven zin.3 Kort daarna presenteert Tjittes als een van de gezichtspunten die bij kennistoerekening in acht moeten worden genomen de “positie van de kennisdrager”. Kennis van organen van de rechtspersoon en kennis van personen die feitelijk tot de bedrijfsleiding behoren, moeten volgens Tjittes naar verkeersopvattingen als regel worden toegerekend aan de organisatie.4 Daarbij refereert hij niet meer aan het concept van de Wissensvertreter, zodat de verhouding tussen beide standpunten onduidelijk is. Het lijkt mij dat organen5 en bedrijfsleiding bij uitstek de taak hebben om kennis te verwerven en door te geleiden. Personen die daartoe behoren zijn per definitie Wissensvertreter.
Bij Tjittes’ standpunt dat kennis van de bedrijfsleiding als regel moet worden toegerekend aan de rechtspersoon, past volgens hem de kanttekening dat men niet zomaar moet afgaan op de titel van de functie. Iemand kan ‘bedrijfsleider’ worden genoemd, terwijl hij in feite geen wezenlijke invloed heeft op het desbetreffende gedrag van de organisatie. In dat kader beschrijft Tjittes Los Gauchos. In die zaak had de verhuurder bij verstek een ontruimingsvonnis verkregen tegen restaurant Los Gauchos Molenstraat 26 BV. De verhuurder gaf het vonnis te lezen aan de bedrijfsleider van het restaurant. De Hoge Raad oordeelde, kort omschreven, dat de kennisneming door de bedrijfsleider geen daad van bekendheid inhield, zodat de termijn voor verzet tegen het ontruimingsvonnis daarmee niet was gaan lopen.6 Tjittes schrijft dat de bedrijfsleider geen leiding had over “het voorliggende aspect van het bedrijf”, nu hij niet de bevoegdheid had om te beslissen al dan niet verzet in te stellen tegen het ontruimingsvonnis.7 Of iemand tot de bedrijfsleiding behoort, moet volgens Tjittes blijken uit de feitelijke inhoud van de uitgeoefende functie. Ook hier is het verband met de Wissensvertreter niet helder. Wanneer Tjittes schrijft over de feitelijke inhoud van de functie, refereert hij niet meer aan de ‘taakomschrijving’ van de Wissensvertreter, te weten de “impliciete of expliciete taak of verantwoordelijkheid om de verkregen kennis te verwerven en zo nodig door te geleiden binnen de organisatie”.
Het Hof Den Haag (waaraan door de eiser mogelijk de publicaties van Tjittes zijn voorgehouden) kiest in zijn arrest van 28 maart 2014 net als Tjittes voor de criteria ‘functionele kennis’ en het zijn van Wissensvertreter. Het hof overweegt eerst dat kennis van een functionaris naar verkeersopvattingen als kennis van de rechtspersoon heeft te gelden indien de functionaris de kennis in de uitoefening van zijn functie heeft verkregen. Vervolgens overweegt het hof dat het antwoord op de vraag of wetenschap van andere functionarissen dan leidinggevenden aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, afhangt van de omstandigheden, waaronder de functie van de desbetreffende functionarissen als (in mijn parafrasering:) Wissensvertretern. Enige andere omstandigheid noemt het hof niet.
199. Kortom: hoewel het concept van de Wissensvertreter een bruikbaar concept lijkt en al eerder is geïntroduceerd in het Nederlandse recht, is niet helder gemaakt hoe dit concept kan of moet worden ingepast in een algemene leer over de toerekening van kennis aan rechtspersonen. Die helderheid kan volgens mij worden gecreëerd door te onderkennen dat het zin heeft om onderscheid te maken tussen de standaardsituatie en de situatie van kennisversplintering, en door nauwkeuriger te bepalen wat een standaardsituatie eigenlijk is. Dan zal blijken dat het concept van de Wissensvertreter bij uitstek bruikbaar is voor de standaardsituatie, maar niet volstaat om te verklaren waarom de kennis van een functionaris in geval van kennisversplintering aan de rechtspersoon wordt toegerekend. Hierna diep ik eerst het begrip standaardsituatie verder uit. Op basis daarvan formuleer ik een hoofdregel voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen.