De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV
Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.3:8.3 Verzoek tot bijeenroepen algemene vergadering
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.3
8.3 Verzoek tot bijeenroepen algemene vergadering
Documentgegevens:
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS382899:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 77 (MvT).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 77-78 (MvT) en Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 14 (NV II).
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 335.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 82 (MvT) en Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 14 (NV II). Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 335.
Ten aanzien van de relatieve bevoegdheid geldt art. 995 Rv.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aard van het middel
Art. 2:220 BW bepaalt dat een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen aan het bestuur en aan de raad van commissarissen schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen het verzoek kunnen richten een algemene vergadering bijeen te roepen. Het bestuur en de raad van commissarissen – daartoe in dit geval gelijkelijk bevoegd – treffen de nodige maatregelen, opdat de algemene vergadering binnen vier weken na het verzoek kan worden gehouden, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. In de statuten kan het vereiste gedeelte van het kapitaal lager worden gesteld en de termijn waarbinnen de algemene vergadering moet worden gehouden worden verkort.
Onder het oude recht bedroeg de drempel voor het verzoek tot bijeenroepen van een algemene vergadering tien procent. De wetgever heeft de verlaging van deze drempel tot één procent als volgt toegelicht: “De expertgroep heeft aanbevolenartikel 220 te wijzigen, door te bepalen dat individuele aandeelhouders zonderrechterlijke tussenkomst om een vergadering kunnen verzoeken. Deze aanbeveling isovergenomen, met dien verstande dat het recht wordt toegekend aan een of meeraandeelhouders die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste deel van hetgeplaatste kapitaal vertegenwoordigen. De positie van minderheidsaandeelhouderswordt hiermee versterkt. Op advies van de commissie vennootschapsrecht is bij deuitwerking aangesloten bij het agenderingsrecht in artikel 224a, waarvoor ook eengrens geldt van een honderdste van het geplaatste kapitaal. In de onderlingeverhouding tussen artikel 224a en het voorgestelde artikel 220 is het wenselijk datde drempel voor het bijeenroepen van een vergadering en het agenderen van eenonderwerp gelijk is.”1
Welke kapitaalverschaffer zonder stemrecht komt het bijeenroepingsrecht van art. 2:220 BW toe?
Uit art. 2:220 lid 1 BW volgt dat het bijeenroepingsrecht toekomt aan een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Op grond van art. 2:24d lid 2 BW tellen stemrechtloze aandelen bij het bepalen van deze één procent-drempel mee.
De wettekst spreekt van ‘aandeelhouders’, zodat het bijeenroepingsrecht toekomt aan de stemrechtloze aandeelhouder2 en de houder van aandelen waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder.3
Art. 2:220 lid 2 BW bepaalt dat met houders van aandelen in de zin van het artikel gelijk worden gesteld anderen aan wie het vergaderrecht toekomt, zoals de houder van certificaten met vergaderrecht.4 De houder van certificaten zonder vergaderrecht heeft het bijeenroepingsrecht niet. Datzelfde geldt voor de houder van een participatiebewijs. Ook hem komt het agenderingsrecht niet toe, tenzij de participatievoorwaarden anders bepalen. Dat laatste lijkt mij niet voor de hand liggen, omdat de houder in de regel wat verder van de vennootschap af staat. De logische conclusie is dan ook dat alleen vergadergerechtigden bijeenroepingsgerechtigd zijn.
Art. 2:220 BW is van dwingend recht voor de stemrechtloze aandeelhouder, de houder van aandelen waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder en de houder van certificaten met vergaderrecht. Ten aanzien van deze kapitaalverschaffers zonder stemrecht kan het bijeenroepingsrecht niet worden uitgesloten.
Afwijzing bijeenroepingsverzoek
De laatste volzin van art. 2:220 BW bepaalt dat indien het bestuur en de raad van commissarissen geen uitvoering geven aan het verzoek, de bijeenroepingsgerechtigden op hun verzoek door de voorzieningenrechter van de rechtbank gemachtigd kunnen worden tot de bijeenroeping van de algemene vergadering.
Uit art. 2:221 BW volgt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank,5 na verhoor of oproeping van de vennootschap, de verzochte machtiging verleent, indien de verzoekers summierlijk hebben doen blijken, dat de in art. 2:220 BW gestelde voorwaarden zijn vervuld, en dat zij een redelijk belang hebben bij het houden van de vergadering. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, indien een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen het houden van een algemene vergadering verzet. Indien de voorzieningenrechter de verzochte machtiging verleent, stelt hij de vorm en de termijnen voor de oproeping tot de algemene vergadering vast. Bij deze oproeping wordt vermeld dat zij krachtens rechterlijke machtiging geschiedt. De op deze wijze gedane oproeping is rechtsgeldig, ook indien mocht blijken dat de machtiging ten onrechte was verleend. Tegen de beschikking van de voorzieningenrechter kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld.
Beschouwing
Allereerst rijst de vraag wat het bijeenroepingsrecht de vergadergerechtigde brengt. Het antwoord daarop is dat hij door middel van zijn vergaderrecht tijdens de algemene vergadering kan trachten de besluitvorming te zijnen gunste te beïnvloeden. Feit blijft echter dat hij niet stemgerechtigd is. Mocht de kapitaalverschaffer zonder stemrecht ‘overstemd’ worden, dan staat hem nog vernietiging van het besluit ex art. 2:8 jo. 2:15 lid 1 sub b BW ter beschikking.
Een volgende vraag is of de één procent-drempel voor de bijeenroepingsgerechtigde een knelpunt is. Dat lijkt mij niet. Eén procent is geen hoge drempel. Daarnaast volgt uit de een na laatste volzin van art. 2:220 lid 1 BW dat in de statuten kan worden bepaald de drempel lager te stellen.
Tot slot heeft de houder van een participatiebewijs, zijnde de kapitaalverschaffer zonder stemrecht en zonder bijeenroepingsrecht, het recht te vorderen dat het hem onwelgevallige besluit ex art. 2:8 jo. 2:15 lid 1 sub b BW wordt vernietigd. In paragraaf 8.6 zal ik betogen dat de houder van een certificaat zonder vergaderrecht dit recht niet toekomt.