Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.6.1.1
5.6.1.1 Karakter en doel
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386785:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Er staan slechts een paar dwingendrechtelijke bepalingen in art. 7A:1655-1688 BW. Zie bijvoorbeeld art. 7:1658, 7:1671, 7:1672, 7:1684 BW.
D.w.z. uit welke werkzaamheid het gezamenlijk voordeel behalen, bestaat.
Huizink 2014, p. 17.
Zie ook art. 7A:1661 BW.
Tervoort 2015, p. 8. Zoals reeds in hoofdstuk 2 aan de orde kwam, was in titel 7.13 BW een keuzemogelijkheid voor rechtspersoonlijkheid opgenomen. Van Olffen e.a. stellen in hun initiatiefwetsvoorstel een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid voor. Van Olffen e.a. 2016, p. 14.
Zie hierover paragraaf 5.6.1.2.2.
Timmerman 2014.
Zo bepaalde de Hoge Raad voor het eerst in HR 5 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB7103, NJ 1977/586 (Moret Gudde Brinkman). Zie ook HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 (Biek Holding).
Rb. Rotterdam 15 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT6432,JONDR 2012/548 en Tervoort 2015, p. 8.
In de literatuur bestaat discussie over het antwoord op de vraag wat (de) rechtssubjectiviteit (van personenvennootschappen) nu precies inhoudt (en daarmee ook over het antwoord op de vraag of personenvennootschappen rechtssubject zijn of niet). Zie over dit thema: Tervoort 2015 p. 8-9 en de noot van Blanco Fernandez bij Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329, m.nt. Blanco Fernandez. Zie ook de omschrijving van Timmerman in Timmerman 2014 en de reactie daarop van Raaijmakers: Raaijmakers 2015. In de hoofdtekst is geprobeerd een beeld te geven van wat de rechten en plichten van de maatschap inhouden zonder daar een kwalificatie aan te geven. Voorop staat dat de maatschap in elk geval niet is aan te merken als rechtspersoon.
Huizink 2014, p. 14.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 224, Van Schilfgaarde 2013, p. 1-3.
Van der Heijden, Van der Grinten & Dortmond 2013, p. 72-73.
Van Schilfgaarde 2013, p. 26.
Van Schilfgaarde 2013, p. 55.
Het vennootschappelijk belang wordt in beginsel bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval, en indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, aan de hand van de continuïteit van deze onderneming, zie ook HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR2014:799, JOR 2014/290 (Cancun).
Zaman & Groenland 2009, p. 169.
Van Duuren 2014.
In Boek 2 BW is overigens geen regeling over aandeelhoudersovereenkomsten opgenomen. Wel staan er in de wet verwijzingen naar overeenkomsten tussen aandeelhouders: zoals in art. 2:24a lid 1, 2:181 lid 4, 2:330a lid 2, 2:334ee1 lid 2 en 2:333h lid 2 BW.
Wuisman 2015b, p. 258.
Zie over de voor- en nadelen van het opnemen van afspraken in de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst ook Oostwouder & Wessel 2015, p. 12.
Zaman & Groenland 2009, p. 169.
De Kluiver 2015, p. 1002.
HR 30 juni 1944, ECLI:NL:HR:1944:BG9449, NJ 1944/465 (Wennex).
Zie ook HR 19 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AG2044, NJ 1960/473 (Aurora).
Hof Amsterdam (OK) 20 mei 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AD3055, JOR 2000/72, m.nt. Blanco Fernández (Versatel), Rb. Den Haag 1 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5922, JOR 2012/286, m.nt. Blanco Fernández (Vanka-Kawat) en Hof Amsterdam 13 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:55, JOR 2015/69, m.nt. R.G.J. Nowak (Kekk/Delfino).
Oostwouder & Wessel 2015, p. 4.
HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2211, NJ 1997/345 (Chipshol).
Voor een uitgebreide bespreking van dit leerstuk wordt verwezen naar het WPNR-themanummer 2014/7014 ‘Aandeelhoudersovereenkomsten’ (met bijdragen van Blanco Fernández, Nowak, De Vries en Ten Berg), De Kluiver 2015, p. 1002, Van der Heijden, Van der Grinten & Dortmond 2013, nr. 217.2, Asser/Maijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 387, Van Schilgaarde 2002, p. 640, Rb. Den Haag 1 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5922, JOR 2012/286, m.nt. Blanco Fernández (Vanka-Kawat) en Hof Amsterdam 13 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:55, JOR 2015/69, m.nt. R.G.J. Nowak (Kekk/Delfino).
HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, NJ 2002/296, m.nt. Maijer (Zwagerman).
Rb. Den Haag 1 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5922, JOR 2012/286, m.nt. Blanco Fernández (Vanka-Kawat).
Ter Meulen 2012.
Timmerman 2014a, p. 699. Zie ook Oostwouder & Wessel 2015, p. 18, Meijer 2012, p. 128, Wuisman 2015b, p. 270-271 en Ter Meulen 2012.
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, m.nt. P. Van Schilfgaarde (Cancun Holding II). Zie hierover ook Van Veen 2016.
Meijer 2012, p. 133.
Van der Sangen 2015, p. 323.
Van der Sangen 2015, p. 323.
Verstraten 2015, p. 222.
Van der Sangen 2015, p. 325.
Zaman & Grapperhaus 2011, p. 11.
Verstraten 2015, p. 222.
Raaijmakers 1989, p. 243-244.
Verstraten 2015, p. 223.
Dit voordeel hoeft, zoals gezegd, niet te bestaan uit winst. In coöperatieve kringen wordt het gebruik van het woord ‘winst’ voor de benaming van de verhouding tussen inkomsten en uitgaven, zelfs niet altijd even gelukkig geacht. De basisgedachte achter de coöperatie is namelijk – vanuit de verenigingsgedachte – niet zozeer winst maken als wel kosten te besparen voor degenen die samenwerken in de coöperatie.
Met uitzondering van art. 2:26 lid 3 BW en art. 2:44 lid 2 BW (zie art. 2:53a BW). Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 36.
Hamers, Schwarz & Zaman 2015, p. 320.
Galle 2007, p. 11.
Zie hierover paragraaf 5.6.1.2.2.
Van der Sangen 2015, p. 321.
Galle 2007, p. 16.
Uit artikel 7A:1655 BW is een viertal elementen te destilleren die onderdeel uitmaken van het rechtskarakter van de maatschap. Het moet gaan om (i) een overeenkomst; (ii) samenwerking; (iii) inbreng; en (iv) verdeling van voordeel. Het doel van een maatschap is dus om door middel van samenwerking voordeel te behalen. Nadere bepalingen over een doelomschrijving vindt men niet terug in Boek 7A BW. Het specifieke ‘doel’ (de aard van de werkzaamheden) van de maatschap is dan ook met name van belang in het kader van het beheer (bestuur) van de maatschap. Met andere woorden: welke handelingen de vennoten voor rekening van de maatschap mogen verrichten. De aard van de maatschap is hierbij van groot belang, omdat slechts die handelingen die, gelet op het doel van de maatschap, behoren tot haar gebruikelijke, regelmatig voorkomende werkzaamheden, voor rekening van de maatschap kunnen komen en dus achteraf intern mogen worden verrekend door de vennoot die de beheersdaad heeft verricht. Daden die niet onder het beheer vallen, zijn beschikkingshandelingen en om die achteraf te kunnen verrekenen heeft de handelende vennoot vooraf toestemming nodig van de overige vennoten. Op het beheer van de maatschap wordt nader ingegaan in paragraaf 5.6.2.1.
Ook op de elementen inbreng en verdeling van voordeel zal in de volgende paragrafen worden ingegaan. Het element samenwerking is al uitvoerig aan bod geweest in hoofdstuk 2. Het belangrijkste element wat betreft het karakter en het aangaan van de maatschap is het feit dat de maatschap een overeenkomst is. Daarom zal daar allereerst op worden ingegaan. De maatschap is een obligatoire overeenkomst (artikel 6:213 lid 1 BW). Het is ook een wederkerige overeenkomst (artikel 6:261 lid 1 BW), die vaak door meer dan twee partijen wordt aangegaan (artikel 6:213 lid 2 BW). Het algemene overeenkomsten- en verbintenissenrecht is (dus) van toepassing op de maatschap.
Het personenvennootschapsrecht is voor het overgrote deel regelend van aard.1 Dit betekent dat de vennoten in de meeste gevallen vrij zijn om (in de overeenkomst) zaken te regelen zoals zij dit wensen. Onderwerpen die vaak voorafgaand aan de samenwerking worden geregeld, zijn de duur van het maatschapscontract, het specifieke2 doel van de maatschap, afspraken over de inbreng, de verdeling van taken en de verdeling van de winst en het verlies. Ook worden vaak afspraken gemaakt over financiële regelingen (onder andere ten aanzien van een kapitaalrekening, een rekening courant en voorschotten) en over toe- en uittreding van de vennoten. Daarnaast worden er dikwijls voorzieningen getroffen ten aanzien van situaties van langdurige ziekte of vakantie (sabbatical) van de vennoten. Tot slot wordt vaak een bepaling opgenomen over de mogelijkheid tot het wijzigen van het maatschapscontract zelf. Hiervoor is in beginsel de instemming van alle vennoten vereist maar in het contract kan anders worden bepaald.3 Omdat de maatschap als rechtsfiguur een overeenkomst is, ontstaat zij op het moment van het aangaan van de obligatoire overeenkomst, tenzij in die overeenkomst een ander tijdstip voor het ontstaan is bepaald.4
Een ander belangrijk element van het karakter van de maatschap is het feit dat zij, in ieder geval naar huidig recht, geen rechtspersoonlijkheid kent.5 De openbare maatschap zelf is, naast een contract (verbintenis) en een gemeenschap (ten aanzien van haar vermogen6) geen rechtssubject in de zin van ‘rechtspersoon’.7 Ze is goederenrechtelijk gezien geen zelfstandig drager van rechten en plichten. Wel heeft de maatschap procesbevoegdheid (het is de maatschap die een procedure voert namens de maatschap en niet de maten alleen of gezamenlijk8) en kan zij failliet worden verklaard.9 Zij kan dus, in specifieke gevallen, wel zelfstandig aan het rechtsverkeer deelnemen.10 Voor het overige geldt dat wanneer men over het ‘(handelen van) de maatschap’ spreekt, gedoeld wordt op (het handelen van) de gezamenlijke vennoten. Hoe het handelen namens de maatschap (vertegenwoordiging) precies in zijn werk gaat, is uitvoerig besproken in hoofdstuk 3.
Ten aanzien van haar karakter zijn dus de contractuele grondslag, het regelende recht dat (daarmee) op haar van toepassing is en de samenwerking op basis van gelijkwaardigheid die beoogd wordt door de vennoten, kenmerkend voor de rechtsvorm van de maatschap. Typisch voor de maatschap is, zoals hiervoor in paragraaf 5.3 reeds besproken, bovendien haar intuitu personae karakter: of de samenwerking een succes wordt, hangt namelijk sterk af van de betrokken personen en hun kwaliteiten. De maatschap is daarnaast op nog een andere manier persoonsgebonden (en daarmee dus ‘besloten’): de vennoten kunnen hun uit de maatschap voortvloeiende rechtspositie, hun ‘aandeel’ in de maatschap, niet zonder medewerking van de andere vennoten aan een ander overdragen.11 Hierover meer in paragraaf 5.6.2.4.
Rechtspersonen, zoals de kapitaalvennootschappen en de coöperatie, hebben een wezenlijk ander karakter. Zij zijn geen overeenkomst, maar een rechtsfiguur van geheel eigen aard en organisatie. Voor alle privaatrechtelijke rechtspersonen gelden de algemene bepalingen van Boek 2 BW. Op basis van artikel 2:25 BW zijn de bepalingen van Boek 2 BW grotendeels van dwingend recht. Naast artikel 2:25 BW zijn de belangrijkste algemene bepalingen ten aanzien van het karakter van de rechtspersoon artikel 2:3 BW, 2:5 BW en 2:8 BW. Uit artikel 2:3 BW volgt allereerst welke rechtsvormen zijn aan te merken als rechtspersoon. Artikel 2:5 BW beschrijft vervolgens wat het algemene karakter van de rechtspersoon inhoudt; wat het zijn van rechtspersoon betekent. Op grond van dit artikel staat een rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Dit betekent dat rechtspersonen rechtssubject zijn. Ze (kunnen) handelen in eigen naam en scheppen (in beginsel) slechts rechtsbetrekkingen voor zichzelf; de achterliggende personen zijn hiervoor, anders dan bij de maatschap, in beginsel, niet aansprakelijk.12
Artikel 2:64/175 BW geeft de wettelijke definitie van de NV respectievelijk de BV. Beide zijn rechtspersonen met een in overdraagbare aandelen verdeeld kapitaal. Een belangrijk verschil tussen de BV en de NV is het feit dat de BV (in beginsel) een besloten karakter heeft. De aandelen in een BV zijn altijd op naam gesteld (artikel 2:175 BW) en ze zijn, tenzij de statuten anders bepalen, slechts overdraagbaar nadat ze eerst zijn aangeboden aan de overige aandeelhouders van de vennootschap (artikel 2:195 lid 1 BW). Het is, sinds de inwerkingtreding van de Wet Flex-BV, echter mogelijk om verregaand van deze laatgenoemde regel af te wijken en in de statuten een regeling op te nemen die de overdracht van aandelen aanzienlijk gemakkelijker maakt. Voor de NV geldt dat het mogelijk is om (ook) aandelen aan toonder uit te geven, wat onder andere betekent dat het mogelijk is om anoniem een belang in de vennootschap te houden. Bovendien zijn deze aandelen gemakkelijk overdraagbaar. 13 Voor beide vormen van kapitaalvennootschappen geldt overigens dat, gezien hun karakter van rechtspersoon, de overdracht van een aandeel of (andere) wijzigingen in de samenstelling van de vennoten, überhaupt veel minder grote gevolgen heeft dan bij de maatschap. Hierop zal dieper worden ingegaan in paragraaf 5.6.2.4.
In paragraaf 5.4 kwam al naar voren dat kapitaalvennootschappen niet per definitie gericht zijn op samenwerking. Zij kunnen bestaan met slechts één aandeelhouder en hun karakter, als vennootschap, is, zoals gezegd, sterk afhankelijk van geldelijke inbreng en veel minder (dan de maatschap) van de achterliggende personen. De aandeelhouders van een kapitaalvennootschap staan weliswaar via hun aandeel in relatie tot elkaar en de vennootschap; met het voldoen aan hun stortingsplicht hebben zij in feite voldaan aan hun plicht tot samenwerking.14 De samenwerkingsgedachte staat dus, in beginsel, niet voorop bij de kapitaalvennootschappen. Dit is ook logisch, gezien hun intuitu pecunia karakter: de BV en NV zijn ondernemingsvormen en gericht op economische activiteiten, ze worden aangegaan omwille van financiële belangen.
De wet schrijft daarnaast voor een groot deel dwingendrechtelijk voor hoe de inrichting van kapitaalvennootschappen er uit dient te zien. Deze inrichting wordt voor een belangrijk deel vastgelegd in de statuten van de vennootschap. De statuten, die overigens een onderdeel vormen van de oprichtingsakte van de vennootschap (waarover meer in paragraaf 5.6.1.2.1), dienen onder andere de naam, de zetel en het doel van de vennootschap te bevatten (artikel 2:66/177 BW). De doelomschrijving dient de belangrijkste werkzaamheden van de onderneming van de vennootschap te bevatten en kan voor het overige algemeen zijn.15 Daarnaast dienen de statuten het nominale bedrag van de aandelen te bevatten (artikel 2:67/178 BW) evenals een bepaling over de wijze waarop in het bestuur van de vennootschap wordt voorzien in geval van ontstentenis of belet van het bestuur (artikel 2:134/244 BW). Bovenstaande eisen zijn die waaraan de statuten minimaal dienen te voldoen.16 In de praktijk worden echter, bij zowel de BV als de NV, ook vaak bepalingen opgenomen ten aanzien van de vertegenwoordiging van de vennootschap, specifieke (van de wet afwijkende) vergader- en besluitvormingsvoorschriften, governance-bepalingen, kwaliteitseisen ten aanzien van het aandeelhouderschap, een specifieke blokkeringsregeling en diverse zogenoemde ‘spoorboekbepalingen’ over de uitgifte, inkoop en levering van aandelen, de jaarrekening, statutenwijziging, ontbinding et cetera.
Een samenwerkingsovereenkomst tussen aandeelhouders (de aandeelhoudersovereenkomst): ‘vijftig tinten grijs’ in de institutionele opvatting
De institutionele benadering leidt ertoe dat de kapitaalvennootschappen als ‘instituut’ worden beschouwd met een eigen ‘vennootschappelijk belang’17 en beheerst door een eigen set van regels. De NV en de BV zijn, zoals hiervoor besproken, daarmee rechtsvormen die – in tegenstelling tot de maatschap – voor hun bestaan niet afhankelijk zijn van een overeenkomst tussen de kapitaalverschaffers en de inhoud daarvan.18 Het is echter goed mogelijk om zowel de BV als de NV een meer contractueel – ‘samenwerkings-‘ – karakter te geven. Sinds de invoering van de Wet Flex-BV waarbij flexibiliteit, partijautonomie en inrichtingsvrijheid voorop stonden, bestaan er voor de BV allereerst verruimde mogelijkheden om verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard te creëren in de statuten (artikel 2:192 BW).19 Als aanvulling op de statuten geven aandeelhouders hun samenwerking binnen de vennootschap (met name bij de BV maar ook bij de NV) vaak – en zeker in situaties waar de aandeelhouders in een besloten verhouding nauw betrokken zijn bij de uit te voeren activiteiten – nader vorm door middel van een aandeelhoudersovereenkomst.20 Bijvoorbeeld door het maken van contractuele afspraken over stemmen, het opstellen van regels omtrent aanvullende financiering en exit-regelingen, een concurrentiebeding en afspraken over geheimhouding.21 In het kader van beroepsuitoefening worden bovendien vaak contractuele afspraken gemaakt over kwaliteitseisen. Het grote voordeel van het vastleggen van afspraken in een dergelijke overeenkomst is dat deze afspraken hiermee – in tegenstelling tot die in de statuten – niet publiek zijn.22 Daarnaast is het opnemen van afspraken in een aandeelhoudersovereenkomst – in plaats van de statuten – in de meeste gevallen flexibeler.23 De situatie waarin aandeelhouders hun afspraken nader vastleggen in een aandeelhoudersovereenkomst brengt echter ook een aantal belangrijke vragen met zich mee. Deze situatie laat zich namelijk kenmerken door een botsing tussen enerzijds het vennootschapsrecht dat de statuten van een vennootschap beheerst, en anderzijds het verbintenissenrecht dat van toepassing is op de aandeelhoudersovereenkomst.
De belangrijkste vraag die ten aanzien van aandeelhoudersovereenkomsten bestaat, is derhalve hoe de partijautonomie en contractsvrijheid van partijen zich verhouden tot de dwingendrechtelijke bepalingen van het vennootschapsrecht. Met andere woorden: in hoeverre kunnen (en mogen) contractuele verhoudingen de (dwingendrechtelijke) vennootschapsrechtelijke verhoudingen beïnvloeden? Daarnaast is bij de afweging of partijen een regeling statutair of contractueel vastleggen, in de praktijk een veel gestelde vraag of besluiten genomen in strijd met een aandeelhoudersovereenkomst rechtens aantastbaar zijn.
Al deze vragen hangen samen met de zogenoemde vennootschappelijke doorwerking van de aandeelhoudersovereenkomst. Samengevat is (steeds) de centrale vraag: in hoeverre hebben aandeelhoudersovereenkomsten vennootschappelijke werking? Oorspronkelijk werden, in de literatuur, de contractuele en vennootschappelijke sfeer sterk van elkaar gescheiden.24 Deze klassieke opvatting is verwoord in HR 30 juni 1944 (Wennex):25 een stemovereenkomst legt een aandeelhouder een contractuele verplichting op, maar beperkt hem niet in zijn wettelijke en statutaire rechten. Lange tijd werd daarmee in de rechtspraak aangenomen dat een aandeelhoudersovereenkomst geen vennootschappelijke werking heeft.26 In recente jurisprudentie27 en literatuur ziet men echter een kentering in dit standpunt en wordt steeds meer en vaker aangenomen dat, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, aandeelhoudersovereenkomsten (zoals stemovereenkomsten) (directe) vennootschappelijke werking kunnen hebben.28 Bovendien werd al eerder in de jurisprudentie aangenomen dat handelen in strijd met een aandeelhoudersovereenkomst onrechtmatig kan zijn.29
De basis van de vennootschappelijke werking ligt in de gedragsnorm die voortvloeit uit artikel 2:8 BW gecombineerd met een actie tot vernietiging van een daarmee strijdig besluit op grond van artikel 2:15 BW.30Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid jegens elkaar moeten gedragen (de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). De gedragsnorm van artikel 2:8 BW dient nader te worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval.31 De vennootschapsrechtelijke doorwerking vindt zijn grens waar onverkorte nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst in onevenredige mate in strijd zou zijn met het vennootschappelijk belang. Wanneer er strijd bestaat met het belang van de vennootschap zal de rechter een op doorwerking gegronde vordering afwijzen wegens strijd met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 2 BW. Het betreft een zware maatstaf: nakoming dient in de gegeven omstandigheden ‘onaanvaardbaar’ te zijn. Het enkele feit dat het belang van de aandeelhouder en het belang van de vennootschap bij nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst uiteenlopen, is onvoldoende.32 Naast de begrenzing van de doorwerking spelen in de literatuur de vragen of voor doorwerking vereist is dat (i) alle aandeelhouders partij zijn bij de aandeelhoudersovereenkomst; en (ii) de vennootschap zelf partij is bij de overeenkomst. In zowel de literatuur als de jurisprudentie wordt over het antwoord op deze vragen verschillend gedacht.33 Over het algemeen wordt aangenomen dat doorwerking eerder voor de hand ligt als bovenstaande vragen bevestigend beantwoord kunnen worden.34
Een belangrijk arrest in het kader van samenwerking en het vennootschappelijk belang (en dus voor dit onderzoek van belang) wees de Hoge Raad in het recente Cancun HoldingII-arrest. In deze uitspraak overweegt de Hoge Raad dat het belang van de vennootschap mede wordt bepaald door de aard en de inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. Dit kan meebrengen dat het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen aandeelhouders.35
Samengevat blijkt uit de literatuur en jurisprudentie dat partijen bij een aandeelhoudersovereenkomst zich constructief moeten opstellen jegens de vennootschap en eventuele andere betrokkenen. De vennootschap kan anderzijds de inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst niet zomaar naast zich neerleggen, zeker niet als zij daarbij zelf partij is.36 De grens aan vennootschappelijke werking ligt daar waar het belang van de vennootschap zich tegen nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst verzet. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de aandeelhouders op grond van artikel 2:8 BW jegens de vennootschap in acht moeten nemen, kunnen aan het verlangen tot nakoming in de weg staan. Voor de organen van de vennootschap geldt dat zij op hun beurt rekening moeten houden met de afspraken tussen aandeelhouders die zijn vastgelegd in de aan de vennootschap ten grondslag liggende samenwerkingsovereenkomst. Dit geldt met name binnen besloten verhoudingen (zoals een persoonsgebonden BV). Binnen deze verhoudingen zal het vennootschappelijk belang immers in grote mate gelijk zijn aan de belangen van de samenwerkende aandeelhouders.
De wettelijke regeling over de coöperatie staat in artikel 2:53 BW. Op basis van dit artikel is de coöperatie ‘een bij notariële akte opgerichte vereniging’ en dient zij zich volgens haar statuten ten doel te stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen. Uit deze omschrijving kunnen vier materiële kenmerken van de coöperatie worden gedestilleerd:
de coöperatie moet voorzien in stoffelijke behoeften van leden;
de coöperatie moet in de stoffelijke behoeften voorzien krachtens ledenovereenkomsten;
de coöperatie moet een coöperatief bedrijf (doen) uitoefenen;
de voordelen die uit de activiteiten van coöperatie voortvloeien, moeten ten voordeel van de leden strekken.
Met het opnemen van het kenmerk voorzien in stoffelijke behoeften van de leden heeft de wetgever beoogd om de coöperatie te onderscheiden van de gewone vereniging. Het voorzien in stoffelijke behoeften kan op velerlei wijze plaatsvinden. Zo kan de coöperatie winst uitkeren of, tegen reële kosten, diensten verlenen aan leden. Ook het besparen van kosten doordat de coöperatie activiteiten onder gunstigere condities kan verrichten dan de leden ieder afzonderlijk, valt onder de term ‘in stoffelijke behoeften voorzien’. Het gaat erom dat het lidmaatschap van de coöperatie de leden in economische zin tot voordeel strekt. Ten aanzien van de wijze waarop, in de statuten, vorm wordt gegeven aan dit materiële kenmerk van de coöperatie bestaat veel vrijheid voor de oprichters c.q. de leden.37
Ook wat betreft de inrichting van de overeenkomst(en) op basis waarvan de coöperatie in de stoffelijke behoeften van de leden dient te voorzien, bestaat veel vrijheid. De vorm noch inhoud van deze overeenkomsten worden door de wet voorgeschreven. De aard van de overeenkomsten bepaalt het specifieke karakter van de coöperatie. Overeenkomsten die in de praktijk vaak voorkomen zijn leveringsovereenkomsten (bijvoorbeeld voor agrarische producten die door de leden ter verwerking en verkoop aan de coöperatie worden geleverd). Daarnaast kan de overeenkomst ook zien op de levering van bepaalde dienstverlening door de coöperatie aan de leden.38 In het geval van beroepsuitoefening zal, zoals gezegd, vaak sprake zijn van een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst tussen de coöperatie en de beroepsbeoefenaren. Ook zou men er bij beroepsuitoefening in de coöperatie voor kunnen kiezen om een leveringsovereenkomst van diensten aan te gaan, vergelijkbaar met de voornoemde leveringsovereenkomst ten aanzien van agrarische producten. In plaats van agrarische producten, leveren de beroepsbeoefenaren (leden) in dit geval hun diensten aan de coöperatie die er vervolgens zorg voor draagt dat deze diensten voor een gunstige prijs in de markt worden gezet, maar ook bijvoorbeeld zorgt dat er kosten worden bespaard door het inhuren van gezamenlijk personeel. Kort gezegd, brengt het lidmaatschap het recht met zich mee om met de coöperatie een zakelijk verkeer te onderhouden.
Het derde materiële kenmerk van de coöperatie betreft het (doen) uitoefenen van een bedrijf. Op basis van dit kenmerk wordt de coöperatie, zelf of via een dochtervennootschap, geacht een onderneming te drijven. De onderneming dient dienstbaar te zijn aan de leden en hun het economische voordeel te verschaffen en vanuit de onderneming worden de overeenkomsten gesloten c.q. het zakelijk verkeer met de leden aangegaan.
Tot slot volgt uit de wettelijke omschrijving van de coöperatie dat zij haar bedrijf uitoefent ten behoeve van haar leden. Zij moet derhalve tot economisch voordeel strekken van haar leden. Ten aanzien van de invulling van dit economisch voordeel bestaat grote vrijheid. Zo kan het economisch voordeel bestaan uit het geven van kortingen of het besparen van kosten en ook de winst (het batig saldo) kan, mits de statuten hieromtrent een uitdrukkelijke bepaling bevatten, worden uitgekeerd aan de leden.
Het hiervoor beschreven geheel eigen soort van doel is een belangrijk kenmerk van de coöperatie: samen met de onderlinge waarborg maatschappij en het EESV, is zij de enige rechtsvorm waarbij het doel inhoudelijk in de wet is neergelegd.39
Uit artikel 2:53 lid 3 en lid 4 BW blijkt het besloten karakter van de coöperatie. Zij dient haar activiteiten uitsluitend te richten op de behartiging van de stoffelijke belangen van de leden door met hen overeenkomsten aan te gaan. Deze dienstverlening staat slechts open voor de aangesloten leden.40 De coöperatie fungeert als het ware als verlengstuk van de activiteiten van haar leden en existeert in feite voor en door haar leden.41 De coöperatie als verlengstuk van haar leden maakt de rechtsvorm instrumenteel.42 De wetgever heeft dit instrumentele karakter bij de invoering van de regelgeving omtrent deze rechtsvorm ook aanvaard.43 Dit blijkt, volgens Raaijmakers, onder andere uit het feit dat bij het structuurregime van de coöperatie de bevoegdheden van de algemene vergadering in beginsel niet overgaan naar de raad van commissarissen. Volgens Raaijmakers maakt dit instrumentele karakter de coöperatie (zelfs) ondergeschikt aan haar leden. Het belang van de leden is en blijft duidelijk bepalend voor de inrichting van de rechtspersoon en het handelen van haar organen.44 Hiermee nemen de belangen van de leden van een coöperatie een belangrijkere plaats in dan de belangen van aandeelhouders van een BV of NV. De institutionele leer is daarmee niet vanzelfsprekend van toepassing op de coöperatie. Hoewel de norm van het (hiervoor besproken) vennootschappelijk belang bij de coöperatie hetzelfde is als bij de NV en de BV (het belang van de organisatie en de met haar betrokken onderneming), is de inkleuring ervan anders:
‘Het instrumentele karakter van de coöperatie maakt dat de belangen van de leden prevaleren boven andere belangen. Van bestuurdersautonomie zou dan geen sprake zijn; het bestuur dient, evenals de coöperatie zelf, haar leden. (…) Hierbij geldt wel dat het bestuur de belangen van alle leden in acht moet nemen; indien Cancun om een coöperatie had gedraaid, had het oordeel van de Hoge Raad ten aanzien van het verwaarlozen van de belangen van een bepaald lid niet anders geluid.’45
De coöperatie is (dus) allereerst een samenwerkingsverband gericht op materieel voordeel46 (het drijven van een onderneming) van haar deelnemers (leden). De coöperatie is daarnaast een bijzondere vorm van de vereniging, maar wel een op zichzelf staande rechtspersoon. Via de schakelbepaling 2:53a BW is op de coöperatie, naast de specifieke bepalingen over de coöperatie zelf in artikel 2:53 e.v. BW, het verenigingsrecht van toepassing.47
Anders dan de vereniging, maar overeenkomstig de kapitaalvennootschappen, is de coöperatie een commerciële rechtspersoon. Kenmerkend voor de coöperatie is immers dat zij ten doel heeft om winst te maken ten behoeve van haar leden en deze winst ook onder haar leden te verdelen. Dit laatste is voor de vereniging verboden (ex artikel 2:26 lid 3 BW).
Net als de kapitaalvennootschappen heeft de coöperatie, zoals gezegd, rechtspersoonlijkheid en is daarmee zelfstandig rechthebbende c.q. eigenaar van de tot haar vermogen behorende goederen. Toe- en uittreden van leden heeft hiermee – evenals bij de kapitaalvennootschappen – geen gevolgen voor de goederenrechtelijke positie van de coöperatie. Ook heeft zij eigen rechten en verplichtingen door het aangaan van overeenkomsten met derden of door het onrechtmatig handelen jegens derden: de coöperatie dient op basis van de rechtspersoonlijkheid op eigen naam naar buiten te treden en raakt dus zelf verbonden.48 Op de coöperatie is, naast titel 1 van Boek 2 BW, het verenigingsrecht (titel 2.2) en titel 2.5 (specifieke bepalingen over de coöperatie) ook nog een aantal andere belangrijke bepalingen uit Boek 2 BW van toepassing, zoals de bepalingen over het enquêterecht (artikel 2:344 BW) en het jaarrekeningenrecht (artikel 2:58 jo. 2:360 BW).49 Er gelden echter geen Europese richtlijnen voor de coöperatie en ook kent deze rechtsvorm geen kapitaalbeschermingsregeling.50 Dit maakt dat de regeling over de coöperatie op belangrijke onderdelen aanzienlijk minder dwingendrechtelijk van aard is dan die van de kapitaalvennootschappen.
De coöperatie neemt binnen de rechtspersonen van Boek 2 BW dus in feite een tussenpositie in tussen de vereniging en stichting enerzijds en de kapitaalvennootschappen anderzijds. ‘De interne organisatie volgt de structuur van de gewone vereniging, maar de coöperatie heeft als een op winst gerichte organisatie die een onderneming drijft, ook duidelijk vennootschappelijke trekken.’51
Hoewel in buitenlandse rechtsstelsels de voor de coöperatie gecreëerde rechtsvorm derhalve wel vaak wordt aangeduid als een vennootschap, heeft de Nederlandse wetgever ervoor gekozen om de coöperatie als (coöperatieve) vereniging aan te merken. De belangrijkste reden hiervoor is dat, anders dan bij de kapitaalvennootschappen, het lidmaatschap van de coöperatie in de regel niet overdraagbaar is (artikel 2:34 lid 1 BW). Net als de maatschap heeft de coöperatie dus ook een persoonlijk karakter. Een belangrijk gevolg van de toepasselijkheid van het flexibele verenigingsrecht, is de mogelijkheid om de vorm van de coöperatie aan te passen aan de inhoud van het doel en de wijze waarop men dit doel wenst na te streven. Hoewel de hiervoor besproken wettelijke definitie van de coöperatie (artikel 2:53 BW) in vergelijking tot de wettelijke omschrijvingen van de kapitaalvennootschappen de meest uitgebreide is, bestaat er – ondanks het dwingendrechtelijke regime van Boek 2 BW (artikel 2:25 BW) – veel ruimte om de rechtsvorm in te richten naar de wensen van de gebruikers ervan.52 Op de mogelijkheden hiertoe zal in de volgende paragrafen dieper worden ingegaan.