Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.3.2:III.5.3.2 IJkpunt autonomie
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.3.2
III.5.3.2 IJkpunt autonomie
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455587:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
D. Luban, Legal Ethics and Human Dignity, Cambridge: Cambridge University Press 2007, p. 68-69, 70. Zie vergelijkbaar G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandsestrafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 12: ‘Zich verplaatsend in die laatste positie (van de onschuldige verdachte, DvT) wordt de strafrechtfunctionaris geconfronteerd met de vraagof de verdachte een eerlijke en volledige kans heeft gekregen zijn “verhaal” naar voren te brengen.’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tweede onderdeel van de menselijke waardigheid betreft de zelfstandige, autonome keuzes van de mens. Mensen mogen nooit louter als middel worden gebruikt. Door iemand te instrumentaliseren kan hij niet autonoom beslissen (vgl. de psychische dwang zoals die hierboven is beschreven). Natuurlijk heeft dit voor het dagelijks leven veel verdergaande implicaties en meer belang dan in de strafvordering. Maar ook in het strafprocesrecht is autonomie belangrijk. Zowel Luban als Corstens & Borgers stellen dat door de verdachte met respect te behandelen hem de mogelijkheid wordt geboden om zelfstandig, eerlijk en volledig zijn verhaal naar voren te brengen.
‘A procedural system that simply gagged a litigant and refused even to consider her version of the case would be in effect treating her story as if it didn’t exist, her point of view as if it were literally beneath contempt. […] So, in this context, having human dignity means, roughly, having a story of one’s own.’1
Autonomie als onderdeel van de menselijke waardigheid komt in de rechtspraak van het BVerfG duidelijk naar voren, terwijl het bij het EHRM en het HRC in mindere mate dan de intrinsieke eer en gelijkheid wordt gebruikt. Anders dan de intrinsieke, waarbij meestal alleen artikelen spelen die verboden handelingen bevatten (zoals artikelen 3 EVRM en 7 IVBPR), wordt de autonomie in verband gebracht met onder andere artikel 8 EVRM en artikel 2 GG (het persoonlijkheidsrecht). Dit – het verband met privacy en het persoonlijkheidsrecht – is meteen een belangrijke aanwijzing voor de betekenis van waardigheid-als-autonomie. Het betreft mijns inziens het maken van een zelfstandige, persoonlijke keuze, een keuze die is op een eigen afweging is gebaseerd. Dat veronderstelt daarnaast dat deze keuze onafhankelijk is.
Voor de strafvordering betekent dit dat het ijkpunt waardigheid-als-autonomie voorwaarden stelt om autonomie in het proces mogelijk te maken. Ten eerste door een verbod op te leggen om de wil van de verdachte volledig te omzeilen of te negeren waardoor hij geen onafhankelijke keuze kan maken. De verdachte wordt dan enkel als object, als middel gebruikt. Het gaat daarbij om de vraag of de methode de onafhankelijke keuze volledig wegneemt om een bepaalde proceshouding aan te nemen en daardoor informatie wel of niet in de procedure te brengen. Dit is mijns inziens het geval als informatie van of via de verdachte wordt verkregen die alleen zijn te verkrijgen door zijn wil te negeren of omzeilen. Bewijs dat hieronder valt, is niet op andere wijze geopenbaarde verklaringen waarover de verdachte met zijn wil volledige controle heeft. De keuze om dit soort bewijs te openbaren, dient de verdachte zelf te kunnen maken en om voor hem moverende redenen. Ten tweede geldt (voor het onderzoek ter terechtzitting) dat de verdachte de mogelijkheid moet worden geboden om op grond van persoonlijke gronden zijn verhaal te doen.