Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/4.3.3
4.3.3 Toekomst
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452049:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie De Groot 2002; Van Mourik 1970, p. 11 e.v.; Molenaar 1966; Russel 1918. Vgl. Van der Sangen 2005.
Pitlo/Raaijmakers 2000; Raaijmakers 2002a; Raaijmakers 2002b; Raaijmakers 2004; Pitlo/Raaijmakers 2006; Raaijmakers 2009.
Pitlo/Raaijmakers 2000, nr. 1.79-82; Raaijmakers 2002a; Raaijmakers 2002b, p. 684, 687, 691; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 33, 56, 451.
Pitlo/Raaijmakers 2000, nr. 1.83; Raaijmakers 2002a, p. 20-27, 32-35; Raaijmakers 2002b, p. 685, 687; Raaijmakers 2004; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 31-37. Raaijmakers onderbouwt zijn standpunt door te wijzen op art. 3:222 BW, dat volgens hem de onderneming als rechtsobject erkent en de onderneming tot algemeenheid van goederen bestempelt. Zoals ik in paragraaf 3.3.2 laat zien, is dit standpunt niet juist.
Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 35.
Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 64.
Pitlo/Raaijmakers 2000, nr. 1.84; Raaijmakers 2002a, p. 37; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 32, 34, 55, 62-64.
Pitlo/Raaijmakers 2000, nr. 1.84; Raaijmakers 2002a, p. 20-27; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 55.
Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 56.
Pitlo/Raaijmakers 2000, nr. 1.87; Raaijmakers 2002a, p. 32-35. Zie over het begrip ‘overdracht onder algemene titel’ de volgende paragraaf.
91. Al tijden gaan stemmen op om de onderneming als geheel een plaats te geven in het Nederlandse vermogensrecht, soms in de vorm van één recht op het geheel.1 Raaijmakers heeft in een reeks van publicaties2 bepleit het Nederlandse (ondernemings)recht te herzien en een algemeen vermogensrechtelijk begrip van de onderneming in te voeren. Dat een algemeen vermogensrechtelijk begrip van de onderneming nog niet bestaat, is lastig, zo meent hij. Hij is van mening dat het Nederlandse recht op dit punt ernstig is achtergebleven, onnodig gecompliceerd is en tot onnodige maatschappelijke kosten leidt, doordat de praktijk zich moet bedienen van een overvloed aan adviseurs, zoals advocaten, notarissen en accountants. Eenvoudigere regelingen zijn daarom gewenst en hij acht het een gemiste kans dat de regeling van de algemeenheid van goederen (en schulden) uit het Ontwerp-Meijers niet is ingevoerd. Het rechtskarakter van de onderneming als geheel wordt daardoor naar zijn mening miskend.3
Volgens Raaijmakers is de onderneming namelijk inderdaad een algemeenheid van goederen, en is het recht op de onderneming als zodanig een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW.4 Hij lijkt dit te beschouwen als geldend recht:
“De in Asser, 3-I, nr. 71 gestelde vraag of het mogelijk is te spreken van een recht op de onderneming als zodanig, kan nu naar mijn mening bestigend worden beantwoord, ook zonder dat de wet dat met zoveel woorden zegt. Dit recht is een subjectief vermogensrecht dat voldoet aan de aanduiding daarvan in art. 3:6 BW […].”5
En:
“Pandrecht acht ik, net als vruchtgebruik, ook naar huidig recht mogelijk hoewel de wet dat niet met zoveel woorden bepaalt. Dat heeft dan betrekking op dit bepaalde activum in het vermogen van de eenmansondernemer-debiteur: het recht op diens onderneming en dat omvat de volledige zeggenschap, het recht op inkomen en op de vervreemdingswaarde, inclusief de goodwill.”6
Dit recht op de onderneming kan in de visie van Raaijmakers worden verkocht en overgedragen of bezwaard door middel van een levering bij akte als bedoeld in art. 3:95 BW. 7 Ik begrijp Raaijmakers zo, dat door overdracht van het recht op de onderneming via art. 3:95 BW, de ondernemingzelf van rechtswege over zal gaan, waarbij geen levering van de afzonderlijke bestanddelen is vereist. Wat op het moment van overdracht8 behoort tot de onderneming, moet uitgemaakt worden aan de hand van een tussenbalans.9 Wel merkt hij op:
“In het NBW-stelsel blijft naar de heersende leer niettemin de levering van afzonderlijke bestanddelen noodzakelijk.”10
Raaijmakers acht het wenselijk dat de mogelijkheid van overdracht en de wijze van levering van het recht op een onderneming in de toekomst uitdrukkelijk in de wet worden opgenomen. Daarnaast zou in de wet bepaald moeten worden dat deze overdracht onder algemene titel geschiedt.11