Het pre-insolventieakkoord
Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.9.4.1:8.9.4.1 Schuldenaar niet in staat van insolventie of pre-insolventie
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.9.4.1
8.9.4.1 Schuldenaar niet in staat van insolventie of pre-insolventie
Documentgegevens:
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zou een derde een akkoord willen aanbieden, dan zou deze daartoe wel voorafgaand verlof van de rechter nodig moeten hebben. Zie paragraaf 8.4.2.
Zie in dit verband ook M.L. Lennarts, De WCO II: solide basis voor herstructureringen of voer voor litigation?, in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2014-2015, Kluwer, 2015, p. 269-288.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 3.6 hiervoor heb ik uiteengezet waarom een zelfstandig dwangakkoord zoals hier geschetst uitsluitend toepasbaar zou moeten zijn indien de schuldenaar in financiële staat van insolventie of pre-insolventie verkeert. Omdat de huidige akkoordregeling uitsluitend toepassing kan vinden binnen het kader van een formele surseance- of faillissementsprocedure wordt insolventie of het vooruitzicht van insolventie thans bij de homologatie verondersteld. Het hier besproken pre-insolventieakkoord zou echter vooral toepassing vinden buiten het kader van een surseance- of faillissementsprocedure. De wettelijke veronderstelling van het bestaan of het vooruitzicht van insolventie is dan afwezig. De financiële toestand moet daarom in het kader van een pre-insolventie akkoordprocedure afzonderlijk worden getoetst.
Zoals toegelicht in paragraaf 8.4, betekent dit niet dat de rechter de financiële toestand van de schuldenaar altijd eerst zou moeten toetsen voordat de schuldenaar een akkoordtraject kan inleiden.1 De schuldenaar zou ook zonder financiële ingangstoets een akkoordtraject moeten kunnen opstarten. De rechter zou de vraag of de toestand van insolventie of pre-insolventie bestaat uiterlijk moeten toetsen in het kader van de homologatie, tenzij de schuldenaar de rechter vraagt zich hier eerder over uit te laten.2