Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.1
6.1 Inleiding
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS420632:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voetnoot van Verstraaten: “Zie nader J.T. Sanders, Over BTW en aandelen en BTW over aandelen (II), Btw Brief nr. 8/9 1995. Eerder in HvJ EG 22 juni 1993 (Satam-arrest) was de kwestie aan de orde geweest op welke wijze de aftrek van voorbelasting dient te worden berekend ingeval een vennootschap aandelen bezit en daarnaast louter belaste handelingen verricht. Het Hof oordeelde in die zaak dat voor de berekening van de pro rata-aftrek van de voorbelasting, in de noemer van de pro ratabreuk de ontvangen dividenden buiten aanmerking dienden te worden gehouden. Zie nader Sanders t.a.p.”
R.T.G. Verstraaten, Fusie en interne reorganisatie in de indirecte belastingen, Deventer: Kluwer 1997, blz. 87.
Zie bijvoorbeeld ook de opmerkingen over de aftrekbaarheid van btw op kosten voor de verkoop van aandelen in A.H. Bomer en H.W.M. van Kesteren, ‘De houdstermaatschappij: geknipt voor de BTW’, WFR 1999/264. Een ander voorbeeld van deze denkwijze is te vinden in de conclusie van A-G Wattel bij HR 9 juli 2004, nr. 38 026, BNB 2004/363. Hij geeft aan dat de vraag naar de aftrekbaarheid van gemaakte kosten voor de verkoop van een deelneming niet behoeft te worden voorgelegd aan het Hof van Justitie, aangezien alle mogelijkheden leiden tot niet-aftrek, behalve wanneer sprake is van de overdracht van een algemeenheid van goederen, hetwelk pro rata-aftrek op zou leveren.
Zie HvJ EG 20 juni 1991, nr. C-60/90, FED 1991/633 (Polysar), HvJ EG 6 april 1995, nr. C-4/94, V-N 1995, blz. 3030 (BLP), HvJ EG 20 juni 1996, nr. C-155/94, V-N 1997, blz. 1034 (Wellcome Trust), HvJ EG 11 juli 1996, nr. C-306/94, BNB 1997/38 (Régie Dauphinoise), HvJ EG 6 februari 1997, nr. C-80/95, BNB 1997/386 (Harnas & Helm), HvJ EG 14 november 2000, nr. C-142/99, FED 2001/179 (Floridienne/Berginvest), HvJ EG 12 juli 2001, nr. C-102/00 (Welthgrove), BNB 2002/182, HvJ EG 27 september 2001, nr. C-16/00, FED 2002/31 (Cibo), HvJ EG 26 juni 2003, nr. C-442/01, FED 2003/552 (KapHag), HvJ EG 29 april 2004, nr. C-07/01, BNB 2004/285 (EDM), FED 2004/654, HvJ EG 26 mei 2005, nr. C-465/03, BNB 2005/313 (Kretztechnik), HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-29/08, BNB 2010/251 (AB SKF) en HvJ EU 16 juli 2015, nr. C-108/14, nr. C-109/14, V-N 2015/44.18 (Larentia en Minerva/Marenave).
Zie onder meer: S.A. Esajas, ‘The Issue of Shares’, Int. VAT Monitor July/August 1999, K.M. Braun, ‘De BTW-belastingplicht van moeiende holdings: een legpuzzel waarvan de stukjes niet passen’, WFR 1999/167, A.H. Bomer en H.W.M. van Kesteren, ‘De houdstermaatschappij: geknipt voor de BTW’, WFR 1999/264, K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW, Deventer: Kluwer 2002, J.J.M. Lamers, ‘De etiquette van het aandeel in de BTW’, WFR 2005/ 825, J. Englisch, ‘Input VAT Deduction by Holding Companies – German Practice and Community Law’, Int. VAT Monitor May/June 2007, G.J. van Norden, Het concern in de BTW, Deventer: Kluwer 2007, B.G. van Zadelhoff, Belastingplichtige in de BTW, Deventer: Kluwer 2012, R. de La Feria, ‘When Do Dealings in Shares Fall Within the Scope of VAT?’, EC Tax Review 2008/1, Dominique Villemot, ‘Holding Companies and the Right to Deduct Input VAT’, Derivatives & Financial Instruments, March/April 2008, O. Henkow, ‘Neutrality of VAT for Taxable Persons: a new approach in European VAT?’, EC Tax Review 2008/5, Ad van Doesum, Herman van Kesteren en Gert-Jan van Norden, ‘Share disposals and the Right of Deduction of Input VAT’, EC Tax Review 2010/2, Dennis Ramsdahl Jensen en Henrik Stensgaard, ‘The Distinction between Direct and General Costs with Regard to the Deduction of Input VAT – the Case of Acquisition, Holding and Sale of Shares’, World Tax Journal February 2012, S.B. Cornielje, ‘De toepassing van art. 37d Wet OB bij de verkoop van een (minderheids) deelneming’, WFR 2012/403, Emilie Parland en Mattias Lindblad, ‘Tax Treatment of Transaction Costs’, European Taxation April 2013, blz. 158 e.v., en Joachim Eggers en Björn Ahrens, ‘The VAT treatment of Holding Companies – German and EU VAT Practice Perspective’, Int. VAT Monitor May/June 2015.
HvJ EU 30 mei 2013, nr. C-651/11, BNB 2014/113 (X bv).
HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-29/08, V-N 2009/56.13 (AB SKF).
HvJ EU 30 mei 2013, nr. C-651/11, BNB 2014/113 (X bv).
Verstraaten schrijft in zijn proefschrift:
“3.3 Aandelenfusie en omzetbelasting
Het onderwerp aandelenfusie en omzetbelasting kan heel kort worden afgedaan. Bij aandelenfusies is, zoals reeds werd vermeld onder 1.3.2, geen omzetbelasting verschuldigd omdat zowel de toekenning als de levering van aandelen een vrijgestelde prestatie is voor die belasting. Betreffende de aftrek van aan de aandelenoverdracht toe te rekenen voorbelasting is Hof van Justitie EG 6 april 1995, zaak C-4/94 (BLP) van belang. Een naar Engels recht opgerichte vennootschap had een groot deel van haar aandelenbezit in een Duitse vennootschap van de hand gedaan om middelen te verkrijgen voor de aflossing van haar schulden. De Engelse vennootschap wenste de omzetbelasting die bankiers, juridische adviseurs en accountants haar in rekening hadden gebracht ter zake van de advisering in mindering te brengen op de door haar verschuldigde omzetbelasting. Zij voerde hiertoe aan dat die voorbelasting drukte op verleende diensten die waren gebruikt om gelden bijeen te brengen voor de aflossing van schulden die een uitvloeisel waren van voor de omzetbelasting belaste transacties. Het Hof stond de gevraagde aftrek niet toe omdat bedoelde advieswerkzaamheden rechtstreeks verband hielden met een vrijgestelde prestatie, de verkoop van aandelen.1
Ook bij overneming van een aandelenpakket door koop komt geen heffing van omzetbelasting aan de orde. Geld wordt namelijk, voor zover het als betaalmiddel wordt gehanteerd, niet in de heffing van de omzetbelasting betrokken. Zie art. 11, eerste lid, letter i, 1 en 2 Wet OB.”2
Voorgaand citaat betreft de integrale tekst van de paragraaf die Verstraaten wijdt aan de btw-aspecten van de aandelenfusie. Ik heb deze paragraaf in zijn geheel opgenomen, aangezien het een goede illustratie is van de grote rechtsontwikkeling die sinds een kleine twintig jaar heeft plaatsgevonden met betrekking tot dit onderwerp. Dat Verstraaten uit het arrest BLP in een notendop de conclusie trekt dat een aandelenfusie een van btw vrijgestelde prestatie betreft die geen recht op aftrek van voorbelasting geeft voor de hiermee gemoeide kosten, is, gezien de rechtspraak tot 1996, alleszins gerechtvaardigd te noemen.3
Hoe anders is het nu. De conclusie luidt dat de relatie tussen de btw, aandelen en de (rechts)personen die aandelen houden, verkrijgen en overdragen aanzienlijk minder overzichtelijk blijkt. Het grote aantal arresten van het Hof van Justitie omtrent het onderwerp getuigt hiervan.4 Deze arresten zijn in belangrijke mate de oorzaak van de grote rechtsontwikkeling. Ook de (hoeveelheid) verschenen literatuur over het onderwerp is indrukwekkend te noemen.5 Eén van de vragen die in rechtspraak en literatuur aan de orde is geweest, is in hoeverre een verkoop van een aandelenbelang binnen de reikwijdte van de geruisloze overgang in de btw kan vallen.
Zowel de oorsprong, het belang en de beantwoording van die vraag hangen nauw samen met de bredere context van de getroebleerde relatie tussen aandelen en btw. Tussen de geciteerde passage van Verstraaten en het arrest in de zaak X bv, waarin het Hof van Justitie heeft bepaald dat een verkoop van een minderheidsdeelneming op zichzelf niet binnen het toepassingsbereik van de geruisloze overgang valt,6 ligt een kronkelig pad door het grensgebied van de btw. Dat pad geeft een beeld van de soms verwarrende rechtsvinding in de btw en de rol hierin van het Hof van Justitie. Dat pad breng ik in kaart, ten eerste omdat de conclusies uit het arrest X bv en het precieze toepassingsbereik van de algemeenheid van goederen bij de overdracht van een deelneming, zonder deze context niet begrijpelijk in beeld te brengen is, maar ook vanwege de kracht van het voorbeeld en het belang hiervan voor ons begrip van de ontwikkeling van rechtsnormen in de btw. Bovendien wordt op deze manier inzichtelijk wat de btw-gevolgen zijn van de overgang van een onderneming door middel van een aandelenoverdracht.
Ik start met een onderzoek naar de relatie tussen aandelen en btw. In feite betreft dit een onderzoek naar de reikwijdte van de belastingplicht in de btw. Dit onderzoek leidt naar de mogelijke toepasselijkheid van artikel 19 Btw-richtlijn bij de verkoop van een deelneming. Na analyse van de arresten AB SKF7 en X bv8 in dit kader, onderzoek ik de aftrek van voorbelasting.
Dit hoofdstuk is gebouwd op de fundamenten van het toetsingskader uit hoofdstuk 2. Ik begin daarom met het bespreken van de geschreven normen in de Btw-richtlijn. Vervolgens onderzoek ik de invulling van deze normen aan de hand van rechtspraak en (lagere) regelgeving. Ik toets het aangetroffen positieve recht aan het vereiste van materiële rechtszekerheid en de wezenlijke kenmerken van de btw. Op die wijze onderscheid ik het positieve van het wenselijke recht.