Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.3.5.1
6.3.5.1 Het arrest Régie Dauphinoise
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS412097:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie blijkt dat een belastingplichtige handelt als een “als zodanig handelende belastingplichtige” wanneer hij handelingen verricht in het kader van zijn belastbare activiteit. Het dient om een onderscheid te maken tussen de handelingen die een belastingplichtige en de handelingen die een belastingplichtige als privépersoon of in de kapitaalsfeer verricht. Zie HvJ EG 4 oktober 1995, nr. C-291/92, BNB 1996/62, r.o. 24 (Armbrecht), HvJ EG 29 april 2004, nr. C-07/01, BNB 2004/285, r.o. 66-69 (EDM) en HvJ EG 12 januari 2006, nr. C-354/03, C-355/03 en C-484/03, V-N 2006/7.20, r.o. 42 (Optigen Ltd, Fulcrum Electronics Ltd, Bond House Systems Ltd). Zie ook A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de btw, Deventer: Kluwer 2009, blz. 183-186.
Zie bijvoorbeeld G.J. van Norden, Het concern in de BTW, Deventer: Kluwer 2007, blz. 115, A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de btw, Deventer: Kluwer 2009, blz. 184 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2014, blz. 88.
Zie ook S.A. Esajas, ‘The Issue of Shares’, Int. VAT Monitor July/August 1999.
Zie voor het criterium ‘economisch karakter’ bijvoorbeeld ook HvJ EG 17 oktober 1989, nr. C-237/87 en C-129/88, FED 1990/312, r.o. 10 (Carpaneto Piacentino) en HvJ EG 20 juni 1991, nr. C-60/90, FED 1991/633, r.o. 11 (Polysar).
In het arrest Régie Dauphinoise draait het om een vennootschap die zich bezighoudt met het beheer van onroerende goederen. Régie doet dit als gevolmachtigde van de eigenaren van dit onroerend goed en verricht soortgelijke diensten met betrekking tot onroerende zaken die in gemeenschappelijke eigendom zijn. In dit kader beheert zij voorschotten die haar worden toevertrouwd door de mede-eigenaren. Deze voorschotten belegt Régie bij financiële instellingen, voor haar eigen risico maar met instemming van haar cliënten. Uit de uitspraak maak ik op dat het gaat om het bij wijze van deposito verschaffen van de voorschotten aan banken, tegen betaling van een overeengekomen rente. Omdat de beleggingsopbrengsten die Régie hiermee behaald aanzienlijk zijn, stelt de Franse Belastingdienst dat deze (btw-vrijgestelde) omzet in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van het aftrekrecht van Régie. In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of de rente-inkomsten kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit ‘bijkomstige financiële prestaties’ zoals bedoeld in artikel 19 lid 2 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn).
In dit kader begint het Hof van Justitie met vast te stellen dat er voor het optreden binnen de reikwijdte van de btw sprake moet zijn van economische activiteiten door een als zodanig handelende belastingplichtige. In rechtsoverweging 17 vervolgt het Hof van Justitie:
“-17. Anders dan de ontvangst van dividend door een houdstermaatschappij, welke volgens het arrest van het Hof van 22 juni 1993 (zaak C-333/91, Sofitam, Jurispr. 1993, blz. I-3513, rechtsoverweging 13) niet binnen de werkingssfeer van de BTW viel, omdat zij geen vergoeding voor een economische activiteit vormde, kan de rente welke een onderneming die zich bezighoudt met het beheer van onroerend goed ontvangt als vergoeding voor beleggingen die zij voor eigen rekening verricht met gelden die haar door de mede-eigenaren of huurders worden betaald, niet worden uitgesloten van de werkingssfeer van de BTW, aangezien de betaling van rente niet het gevolg is van de enkele eigendom van de zaak, maar een vergoeding vormt voor de terbeschikkingstelling van kapitaal aan een derde.”
Het verstrekken van kapitaal tegen vergoeding door Régie is derhalve een economische activiteit. Het kan althans niet worden uitgesloten van de werkingssfeer van de btw. Pas na deze conclusie lijkt het Hof van Justitie zich als het ware te realiseren dat er veel particulieren zijn die tegen vergoeding kapitaal verstrekken aan een derde, bijvoorbeeld door een spaarrekening aan te houden bij een bank. In rechtsoverweging 18 geeft het Hof van Justitie naar mijn indruk daarom aan waar de grens ligt tussen het bedrijfsmatig verstrekken van kapitaal tegen vergoeding en het verstrekken van kapitaal tegen vergoeding als particulier en daarmee buiten de reikwijdte van de btw. Met andere woorden: het Hof van Justitie toetst of de economische activiteit die in rechtsoverweging 16 en 17 is onderkend, wordt verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige.1
“-18. Diensten zoals de beleggingen van een beheerder van onroerend goed bij banken, zijn hoe dan ook niet aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen, indien zij worden verricht door personen die niet in de hoedanigheid van belastingplichtige handelen. In het hoofdgeding evenwel vormt de ontvangst, door een beheerder van onroerend goed, het rechtstreekse duurzame en noodzakelijke verlengstuk van de belastbare activiteit zodat deze beheerder, wanneer hij een dergelijke belegging verricht, handelt als belastingplichtige.”
Mijns inziens blijkt uit bovenstaande dat de verlengstukgedachte zoals geformuleerd in het arrest Régie Dauphinoise niet is bedoeld om een activiteit die op zichzelf bezien een niet-economische activiteit is op basis van zijn nauwe band met andere belastbare activiteiten aan te merken als economische activiteit, zoals doorgaans wordt aangenomen.2 Deze interpretatie zou immers betekenen dat het verstrekken van kapitaal tegen vergoeding op zichzelf bezien niet tot belastingplicht leidt. Dit is naar mijn overtuiging nu juist niet wat het Hof van Justitie zegt. Het verlengstukcriterium zoals geformuleerd in het arrest Régie Dauphinoise dient om te bepalen of de economische activiteit die bestaat uit het verstrekken van kapitaal tegen vergoeding met een voldoende bedrijfsmatig karakter wordt verricht om deze te onderscheiden van normaal vermogensbeheer (de spaarrekening van een particulier).3 Het Hof van Justitie toetst derhalve niet of een niet-economische activiteit eventueel kan worden ‘meegezogen’ in de overige economische activiteiten van een belastingplichtige, maar toetst het economisch karakter4 van de economische activiteit om geen twijfel te laten bestaan omtrent de vraag of de economische activiteit door een als zodanig handelende belastingplichtige wordt verricht. De nauwe band die tussen de overige economische activiteiten en de kapitaalverstrekking bestaat, is kennelijk hetgeen voorziet in dit economisch karakter. Deze analyse past mijns inziens ook in de vraag die het Hof van Justitie werd gesteld. De vraag was namelijk of deze beleggingen door Régie konden worden aangemerkt als bijkomstige financiële prestaties in de zin van artikel 19 lid 2 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn). Deze vraag vooronderstelt dat de belegging een belastbare prestatie is die in beginsel moet worden opgenomen in de berekening van het pro rata-aftrekrecht. Het is dan ook van belang in het oog te houden dat dit arrest de toepassing van artikel 19 lid 2 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn) betreft en niet de op zichzelf staande vraag of de beleggingen binnen de reikwijdte van de btw vallen. De uitzondering die in de genoemde artikelen wordt gemaakt voor bijkomstige financiële handelingen veronderstelt juist dat sprake is van belastbare handelingen.