Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.1
IV.8.1 Inleiding
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459229:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
C.H. de Kogel, G.P van Beek, F. Leeuw, G. Meynen & E.J.M.C. Westgeest, ‘Inleiding themanummer ‘Neurolaw in Nederland’’, NJB 2013, 45, p. 3130-3131 en C.H. de Kogel & E.J.M.C. Westgeest, ‘Neurobiologische zaken in Nederlandse strafzaken’, NJB 2013, 45, p. 3132-3136 en C.H. de Kogel & E.J.M.C. Westgeest, ‘Neuroscientific and behavioral genetic information in criminal cases in the Netherlands’, Journal of Law and the Biosciencesonline 2015.
M.S. Pardo & D. Patterson, Minds, Brain, and Law. The Conceptual Foundation of Law and Neuroscience, Oxford: Oxford University Press 2013 en R. Merkel, ‘Neuroimaging and Criminal Law’, in: J. Clausen & N. Levy (eds.), Handbook of Neuroethics, Dordrecht: Springer Science 2015, p. 1335-1362 en J.A. Chandler, ‘The use of neuroscientific evidence in Canadian criminal proceedings’, Journal of Law and the Biosciences online 2015 (juni) en P. Catley & L. Claydon, ‘The use of neuroscientific evidence in the courtroom by those accused of criminal offenses in England and Wales’, Journal of Law and the Biosciencesonline 2015 (juli).
J. Greene & J. Cohen, ‘For the law, neuroscience changes nothing and everything’, Phil. Trans. R. Soc. Lond. B 2004, 1451, p. 1775-1785 en O.D. Jones, R. Marois, M.J. Farah & H.T Greely, ‘Law and Neuroscience’, The Journal of Neuroscience, 2013, 45, p. 17624-17630.
A.J. Kolber, ‘Will There Be a Neurolaw Revolution’, Indiana Law Journal 2014, 2, p. 807- 845.
V.A.F. Lamme, ‘Controle, vrije wil en andere kletskoek’, JV 2008, 1, p. 76-88. Anders M. Slors, Dat had je gedacht!, Amsterdam: Boom 2012.
C.H. de Kogel & E.J.M.C. Westgeest, ‘Neuroscientific and behavioral genetic information in criminal cases in the Netherlands’, Journal of Law and the Biosciences online 2015, p. 8.
C.H. de Kogel & E.J.M.C. Westgeest, ‘Neuroscientific and behavioral genetic information in criminal cases in the Netherlands’, Journal of Law and the Biosciences online 2015, p. 8.
In steeds toenemende mate wordt binnen een straf(proces)rechtelijke context gebruik gemaakt van neurowetenschappelijke inzichten, zowel in binnen-1 als buitenland.2 Op het grensgebied van het recht en de neurowetenschappen is, vanwege de toenemende invloed van neurowetenschappelijke inzichten in rechtszaken, sinds enkele decennia een nieuw vakgebied ontstaan dat NeuroLaw is gedoopt.3 Op verschillende wijze is zelfs de vraag opgeworpen of NeuroLaw-inzichten tot een revolutie in het recht leiden,4 voornamelijk doordat aan de hand van neurowetenschappelijk onderzoek de vraag wordt gesteld of mensen een vrije wil hebben.5 Maar niet alleen de theoretische vraag naar de vrije wil, als basis voor strafrechtelijke toerekenbaarheid, is een onderwerp binnen NeuroLaw. Ook in de praktijk worden neurowetenschappelijke inzichten gebruikt om de toerekeningsvraag te beantwoorden.6 Daar staat tegenover dat slechts in minder dan vijf procent van de Nederlandse strafzaken waarin neurowetenschappelijke methoden een rol van betekenis spelen het de bewijsvraag betreft.7 Dit is enigszins verwonderlijk omdat in de laatste twintig jaren veel onderzoek is gedaan naar het ‘schuldige geheugen’, id est of met neurowetenschappelijke methoden inzicht kan worden verkregen of een verdachte een delict heeft begaan door te onderzoeken of hij daderkennis in zijn geheugen heeft opgeslagen. De afwezigheid van deze methode in Nederland (en West-Europa) verbaast te meer omdat in verschillende landen deze methode succesvol is en wordt gebruikt.
Het uitgangspunt voor het onderhavige onderzoek is niet of geheugenonderzoek bij de verdachte naar Nederland komt, maar wanneer. Voor het zover is, vindt hier een beoordeling van de zogenoemde (neuro)geheugendetectiemethode plaats. Deze beoordeling geschiedt zowel op instrumentele kenmerken van de methode als mogelijke mensenrechtelijke problemen. Is (neuro)geheugendetectie een effectieve(re), efficiënte(re) methode (dan instrumenten die politie en justitie al tot hun beschikking hebben)? Kan (neuro)geheugendetectie worden afgenomen zonder schending van het recht op respect voor menselijke waardigheid of privacy? Op welke wijze beperken het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht de doorzoeking of ondervraging van de hersenen? Het hierboven beschreven uitgangspunt dat (neuro)geheugendetectie in de komende jaren wordt geïntroduceerd en de zojuist opgeworpen vragen hebben geleid tot de formulering van de volgende, hieronder te beantwoorden, hoofdvraag:
‘In welke mate is de afname van (neuro)geheugendetectie bij de verdachte efficiënt en effectief, hoe verhoudt deze methode zich met het recht op respect voor menselijke waardigheid, het recht op respect voor privacy en eerlijk procesrechten, en kunnen in het verlengde daarvan instrumentele en rechtsbeschermende maatstaven worden vastgesteld om nieuwe strafvorderlijke opsporingswetgeving te beoordelen?’
De beantwoording van deze vraag valt uiteen in twee delen. Het eerste deel betreft de constructie van criteria vanuit zowel het instrumentele aspect van een opsporingsmethode als het rechtsbeschermende aspect waarmee de inzet elke opsporingsmethode op zijn merites kan worden beoordeeld. Dit gebeurt aan de hand van de instrumentele maatstaven efficiëntie en effectiviteit en de rechtsbeschermende maatstaven verbod op ongeoorloofde dwang en autonomie. Het tweede deel betreft de toepassing van de opgestelde criteria op neurogeheugendetectie. Om twee redenen is voor deze aanpak gekozen. De criteria waaraan de meeste opsporingsmethoden worden getoetst in parlementaire stukken en in de rechtspraak betreffen vage termen zoals effectiviteit en privacy. Deze begrippen zijn niet direct toepasbaar voor de toetsing van opsporingsmethoden onder andere omdat ze multi-interpretabel zijn en uit meerdere onderdelen bestaan. Dit betekent dat ze eerst moeten worden geoperationaliseerd. Ten tweede heeft de uitwerking van deze begrippen ook waarde buiten de toepassing daarvan op neurogeheugendetectie. Hetzelfde toetsingskader kan dan ook op andere opsporingsmethoden worden toegepast.
Hieronder, in de tweede paragraaf, volgt een uiteenzetting van criteria waaraan de inzet van opsporingsmethoden mijns inziens moeten worden getoetst vanuit de oogpunten van instrumentaliteit en rechtsbescherming. De begrippen/maatstaven die hierbij worden uitgewerkt, zijn (1) effectiviteit; (2) efficiëntie; (3) verbod op ongeoorloofde dwang en; (4) autonomie. In deze paragraaf vindt ook een onderlinge analyse van de gekozen mensenrechten plaats. De vraag die daarbij centraal staat, is welke bescherming de verschillende mensenrechten gemeen hebben en/of op welke wijze zij, ten opzichte van elkaar, aanvullende bescherming bieden aan de verdachte. Vervolgens worden de opgestelde ijkpunten toegepast op de kenmerken van neurogeheugendetectie die in hoofdstuk 4 zijn beschreven, te weten de (1) lichamelijke fixatie; (2) het biologische spoor in de zin van hersenactiviteit en; (3) het cognitieve spoor in de zin van de herkenning van daderkennis. Deze drie kenmerkende en essentiële onderdelen van neurogeheugendetectie worden in het licht van de rechtsbeschermende maatstaven beoordeeld.