Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/2.6.5
2.6.5 Pareto efficiëntie
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
B.C.J. van Velthoven en P.W. van Wijck, Recht en efficiëntie, Kluwer, 2001, p. 12 en 24-25. In het Engels wordt “wealth” of “welfare” in dit verband ook wel uitgedrukt als “utility” of “satisfaction of individual preferences”; zie bijvoorbeeld R. Cooter and T. Ulen, Law & Economics, Addison-Wesley, 2008, p. 17.
Het criterium is bedacht door de Italiaanse econoom en socioloog Vilfredo Pareto (1848-1923).
B.C.J. van Velthoven en P.W. van Wijck, Recht en efficiëntie, Kluwer, 2001, p. 24-25. Zie ook R. Cooter and T. Ulen, Law & Economics, Addison-Wesley, 2008, p. 17: “A particular situation is said to be Pareto or allocatively efficient if it is impossible to change it so as to make at least one person better off (in his own estimation) without making another person worse off (again, in his own estimation).” Zie voorts A. Katz, Foundations of the Economic Approach to Law, Oxford University Press, 1998, p. 12: “An allocation of resources is Pareto superior to an alternative allocation if and only if no one is made worse off by the distribution and the welfare of at least one person is improved.”
B.C.J. van Velthoven en P.W. van Wijck, Recht en efficiëntie, Kluwer, 2001, p. 24- 25. Zie ook R. Cooter and T. Ulen, Law & Economics, Addison-Wesley, 2008, p. 6 en 29 e.v.
Zie ook A. Katz, Foundations of the Economic Approach to Law, Oxford University Press, 1998, p. 15: “As it stands, Kaldor-Hicks does not provide an adequate efficiency basis for preferring one state of the economy to another. (…) Of the three efficiency-related criteria, only Pareto superiority may be transformed into an index of utility.”
B.C.J. van Velthoven en P.W. van Wijck, Recht en efficiëntie, Kluwer, 2001, p. 7.
B.C.J. van Velthoven en P.W. van Wijck, Recht en efficiëntie, Kluwer, 2001, p. 25.
A. Katz, Foundations of the Economic Approach to Law, Oxford University Press, 1998, p. 13, 14 en 16: “(…) one could plausibly argue that the Pareto-superior standard is normatively defensible (…) because rational self-interest persons would consent to its use. That is, few would object to policies that made at least one person better off if doing so never required anyone else to suffer. (…) Exchanges among knowledgeable, rational persons in a free market are generally Pareto superior; rational individuals do not strike bargains with one another unless each perceives it to be in his or her own interest to do so. (…) Such exchanges make no individual worse off; often they improve the lot of all concerned. (…) Even though Pareto superiority can be employed as a standard of utility, it has content aside from this connection, and its application in social and legal policy matters may be justified on nonutilitarian grounds, in particular on the basis of consent or liberty.”
Dit geldt evenzeer bij de toepassing van faillissement in een concreet geval. Ook dan kunnen er crediteuren bestaan die met individuele executie beter af zouden zijn dan met collectieve executie. Denk bijvoorbeeld aan crediteuren die in de executiewedloop een grote voorsprong hebben op andere crediteuren.
In de welvaartseconomie is een maatregel efficiënt indien deze leidt tot een stijging van de maatschappelijke welvaart. Het begrip “welvaart” wordt daarbij niet in financiële termen uitgedrukt, maar doelt op de mate van bevrediging van individuele voorkeuren of nut.1
Een centraal begrip in de welvaartseconomie is het Pareto-criterium.2 “Volgens het Pareto-criterium is er sprake van een toename van de gezamenlijke welvaart, indien het nut van één of meer leden van de desbetreffende groep groter wordt zonder dat het nut van enig ander lid van de groep kleiner wordt.”3
Een ander efficiëntiecriterium dat in de welvaartseconomie is ontwikkeld, is het zogenaamde Kaldor-Hicks criterium. Volgens het Kaldor-Hicks criterium wordt er een verbetering van de gezamenlijke welvaart gerealiseerd, indien er sprake is van een verandering waarbij de winst van de winnaars zo groot is dat deze het verlies van de verliezers zou kunnen compenseren, zonder dat deze compensatie ook daadwerkelijk plaatsvindt.4 Een maatregel die Kaldor-Hicks efficiënt is, kan dan ook niet alleen winnaars, maar ook verliezers kennen.
Het Kaldor-Hicks criterium geeft een efficiëntiemaatstaf maar is daarmee nog niet geschikt als rechtvaardigingsmaatstaf.5 Bij het Kaldor-Hicks criterium gaat het uitsluitend om de totale grootte van de “koek” en niet om de verdeling ervan. Het feit dat een maatregel volgens het Kaldor-Hicks criterium efficiënt is omdat de nutsverbetering van de een groter is dan de nutsverslechtering van de ander, wil nog niet zeggen dat de maatregel daarmee ook rechtvaardig is. Van Velthoven en Van Wijck merken op: “een verandering waardoor de grootte van de “koek” toeneemt, is op grond van het Kaldor-Hicks criterium als een verbetering aan te merken. Maar het kan zo zijn dat die grotere koek zodanig verdeeld is, dat één, of meer, of misschien zelfs alle leden van de samenleving de verdeling zodanig onrechtvaardig vinden, dat ze tot de conclusie komen dat de kleinere koek uiteindelijk de voorkeur verdient boven de grotere koek.”6
Het Pareto-criterium kan wel als fundament voor een rechtvaardigingstheorie dienst doen. Iedere vrijwillige transactie leidt in beginsel tot een Pareto-verbetering: geen van de partijen zouden de transactie vrijwillig aangaan, indien zij er in termen van nut op achteruit zouden gaan.7 Meer algemeen valt te stellen dat een groep met een maatregel die Pareto-efficiënt is in de regel zal instemmen omdat het totale nut van de groep als geheel wordt vergroot terwijl niemand erop achteruit gaat. De basis van het Pareto-criterium als rechtvaardigingsmaatstaf is dan ook uiteindelijk die van consensus: iedereen kan worden geacht in te stemmen met een maatregel die Pareto-efficiënt is.8
In het volgende hoofdstuk zal ik op zoek gaan naar de rechtvaardigingsgrond voor een pre-insolventieakkoord als alternatief collectief verhaalssysteem voor dat van faillissement. Daarbij leg ik het Pareto-criterium aan. Voor het voorgestelde alternatieve verhaalssysteem bestaat dan een rechtvaardigingsgrond indien dat alternatieve verhaalssysteem ten opzichte van het bestaande collectieve verhaalssysteem Pareto-superieur is. Indien het nut (de bevrediging van de individuele voorkeuren van de leden) van de groep met het alternatieve systeem toeneemt, terwijl het nut (de bevrediging van de individuele voorkeur) van geen lid van de groep met het alternatieve systeem afneemt, is het alternatieve systeem Paretosuperieur en kan de groep worden geacht met het alternatieve verhaalssysteem in te stemmen. Daarmee is de rechtvaardigingsgrond voor dat alternatieve systeem gegeven.
Bij de toepassing van een dwangakkoord in een concreet geval zijn er per definitie partijen die aan het aangeboden akkoord niet de voorkeur geven en daar niet mee instemmen. In zoverre zou men wellicht kunnen zeggen dat een akkoord niet Pareto-efficiënt is. Niet alle partijen zijn (naar hun eigen inschatting) met het akkoord beter af dan zonder het akkoord.9 Bij de beoordeling van de Paretoefficiëntie van een akkoordregeling, gaat het echter niet om de uitwerking van het systeem in een concreet individueel geval, maar om de werking van het systeem beoordeeld in abstracto los van individuele gevallen. Het gaat dan om het systeem dat zou zijn voortgevloeid uit de creditors’ bargain die crediteuren ex ante met elkaar zouden hebben afgesproken, als zij dat hadden gekund. Met dat systeem moet, ex ante beoordeeld, iedereen erop vooruit kunnen gaan en moet op voorhand geen groep zijn aan te wijzen die met het systeem erop achteruit kan gaan.