Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.3:4.3 Het waardemotief als grondslag voor art. 3:4 lid 2 BW
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.3
4.3 Het waardemotief als grondslag voor art. 3:4 lid 2 BW
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489136:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het bovenstaande zijn de redenen besproken waarom rechtszekerheid de belangrijkste grondslag is voor het eenheidsbeginsel. Dit betekent niet dat ik het waardemotief als grondslag geheel zou willen elimineren. Art. 3:4 BW kent twee criteria voor bestanddeelvorming: de verkeersopvatting in lid 1 en het fysieke criterium van lid 2. Met name bij het fysieke criterium van lid 2, kan gesteld worden dat het waardemotief hier een grote rol speelt: indien afscheiding van het bestanddeel een beschadiging van betekenis aan één van beide zaken zou veroorzaken, is het waardemotief mijns inziens een rechtvaardiging voor bestanddeelvorming. Het waardemotief ligt in dat geval echter ten grondslag aan bestanddeelvorming op grond van 3:4 lid 2, maar niet aan het eenheidsbeginsel, te weten de regel dat de eigenaar van een zaak ook eigenaar is van haar bestanddelen (art. 5:3 BW).