Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.3.1
2.3.1 Geen subjectieve criteria
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565007:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met uitzondering wellicht van HR 29 maart 1995, BNB 1995/155, r.o. 3.7. In dit arrest passeerde de belastingkamer van de Hoge Raad de stelling dat er sprake was van een pleitbaar standpunt, omdat het hof volgens haar terecht had geoordeeld dat op de desbetreffende belastingplichtige een onderzoeksplicht rustte ten aanzien van zijn belastingverplichting. Het is echter niet duidelijk of het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht tot gevolg had dat het standpunt niet pleitbaar was, of dat ondanks het pleitbare standpunt toch kon worden gesproken van grove schuld.
HR 26 november 1986, BNB 1987/31, r.o. 4.2; HR 26 november 1986, BNB 1987/305, r.o. 4.4; HR 22 juli 1988, BNB 1988/271, r.o. 5. Voorts heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in HR 13 mei 1992, BNB 1992/242, r.o. 3.4; HR 10 juni 1992, BNB 1992/275, r.o. 3.4; HR 5 januari 2000, BNB 2000/85, ECLI:NL:HR:2000:AA4059, r.o. 3.9, overwogen dat alle schuld ontbrak en in HR 2 maart 2012, BNB 2012/123, ECLI:NL:HR:2012:BP3858, r.o. 3.5 dat de verzuimboete verviel.
Expliciet overwogen in HR 22 juli 1988, BNB 1988/271, r.o. 5; HR 2 maart 2012, BNB 2012/123, ECLI:NL:HR:2012:BP3858, r.o. 3.5.
Met uitzondering van HR 26 november 1986, BNB 1987/305, r.o. 4.4. Ik veronderstel echter dat de Hoge Raad niet verwees om te beoordelen of het standpunt pleitbaar was of om te beoordelen of er sprake was van grove schuld of opzet, maar om te beoordelen in hoeverre het eensluidend oordeel van partijen over het boetepercentage nog bindend kon zijn.
HR 11 juli 1984, BNB 1984/268, r.o. 4: “Het Hof behoefde zich van dit oordeel niet te laten weerhouden door de omstandigheden, dat belanghebbende bij de inwerkingtreding van de Wet op de omzetbelasting 1968 omtrent de belastbaarheid van de onderhavige prestaties door de Inspecteur was geïnformeerd en later bij belanghebbende naar aanleiding van een onderzoek over de jaren 1969 en 1970 ter zake reeds omzetbelasting is nageheven.” Zo ook HR 12 september 2003, BNB 2004/75, ECLI:NL:HR:2003:AE4480, r.o. 3.4.
HR 23 september 1992, BNB 1993/193, r.o. 3.3.6 (“zodanige argumenten zijn aan te voeren”); HR 10 maart 1999, BNB 1999/308, r.o. 3.6 (“zodanige argumenten zijn aan te voeren”); HR 13 september 2000, BNB 2000/348, ECLI:NL:HR:2000:AA7073, r.o. 3.11 (“zodanige argumenten zijn aan te voeren”); HR 8 februari 2002, BNB 2002/150, ECLI:NL:HR:2002:AD9105, r.o. 3.3; HR 11 november 2005, BNB 2006/147, ECLI:NL:HR:2005:AU6018, r.o. 3.5; HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091, r.o. 2.3. (in deze zaak had de rechtbank tot opzet geconcludeerd, het hof had het standpunt gevolgd).
Er is ook een aantal arresten waarin de HR niet zelf afdeed, maar overging tot verwijzing. Zie in dit verband HR 7 september 1988, BNB 1988/319, r.o. 4.4-4.5 (“in die mate verdedigbaar was”); HR 22 april 1998, BNB 1998/201, r.o. 3.5 (“zodanige argumenten zijn aan te voeren”); HR 2 september 1998, BNB 1998/337, r.o. 3.2 (“zodanige argumenten zijn aan te voeren”). Deze verwijzingen lijken geen verband te houden met de vaststelling van subjectieve omstandigheden, maar lijken te zijn ingegeven door de omstandigheid dat voor de beoordeling of er sprake was van een pleitbaar standpunt nog (mede) een andere feitelijke vaststelling was vereist.
Uit de jurisprudentie van de belastingkamer van de Hoge Raad volgt dat subjectieve omstandigheden – de mate van zorgvuldig en voorzichtig handelen, de persoon, het weten en willen van de belastingplichtige – voor de invulling van het pleitbaar standpunt begrip niet van belang zijn.1
Dit is in de eerste plaats op te maken uit een aantal arresten waarin de belastingkamer van de Hoge Raad, zonder dat er onderzoek naar subjectieve omstandigheden was verricht, heeft geoordeeld dat opzet en grove schuld ontbreken omdat het standpunt van de belastingplichtige over het belastinggeschil door de rechter in feitelijke instantie was gevolgd.2 Het volgen bracht in deze zaken mee, hoewel de belastingkamer van de Hoge Raad dat niet steeds expliciet heeft overwogen, dat het ingenomen standpunt pleitbaar werd geacht.3 In deze zaken had de rechter in feitelijke instantie in het belastinggeschil derhalve conform het standpunt van de belastingplichtige geoordeeld, maar was dat standpunt volgens de belastingkamer van de Hoge Raad toch onjuist. Hierdoor herleefde in cassatie het boetegeschil. De rechter in feitelijke instantie had, omdat hij het standpunt van de belastingplichtige had gevolgd, echter niets vastgesteld over de subjectieve omstandigheden. Als deze omstandigheden van belang zouden zijn geweest voor de beoordeling of het standpunt pleitbaar is, had de belastingkamer moeten verwijzen. De belastingkamer heeft in deze arresten het boetegeschil echter zelf afgedaan en overwogen dat, omdat het standpunt van de belastingplichtige door de rechter in feitelijke instantie als juist was aanvaard, opzet en grove schuld afwezig waren en de boete daarom verviel.4
Dit volgt in de tweede plaats uit een aantal arresten waarin de belastingkamer van de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het standpunt pleitbaar is, terwijl de rechter in feitelijke instantie bepaalde subjectieve omstandigheden wel had vastgesteld. Het betrof hier zaken waarin de rechter in feitelijke instantie het standpunt van de belastingplichtige over het belastinggeschil niet had gevolgd. Zo had de rechter in feitelijke instantie in de uitspraak voorafgaand aan het eerste pleitbaar standpunt arrest geoordeeld dat er, ondanks de omstandigheid dat de belastingplichtige zich er bewust van was geweest dat zijn standpunt en daarmee zijn aangifte mogelijk onjuist waren, toch kon worden gesproken van een pleitbaar standpunt. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd.5 Daarnaast heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in een aantal arresten zelf geoordeeld dat kan worden gesproken van een pleitbaar standpunt, nadat de rechter in feitelijke instantie de voor opzet of grove schuld vereiste subjectieve omstandigheden had vastgesteld en, zonder te onderzoeken of het standpunt van de belastingplichtige pleitbaar was, nog had geoordeeld dat de belastingplichtige opzettelijk of grofschuldig had gehandeld.6,7
Hieruit volgt bijvoorbeeld dat, als een belastingplichtige een premie voor een kapitaalverzekering in zijn aangifte inkomstenbelasting op zijn inkomen in mindering heeft gebracht, niet kan worden gezegd dat hij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. De aftrek van een premie voor een kapitaalverzekering is namelijk op geen enkele wijze met objectieve argumenten (die bijvoorbeeld zouden kunnen zijn ontleend aan de tekst en de systematiek van de Wet inkomstenbelasting 2001) te onderbouwen. Ook als de belastingplichtige ervan overtuigd was en ervan overtuigd kon en mocht zijn dat hij de premie voor de kapitaalverzekering in zijn aangifte kon aftrekken, kan nog steeds niet worden gesproken van een pleitbaar standpunt.
De vaststelling dat subjectieve omstandigheden voor de invulling van het pleitbaar standpunt begrip niet van belang zijn, brengt naar mijn mening niet mee dat deze omstandigheden bij een pleitbaar standpunt verweer in het geheel niet van belang kunnen zijn. Zij zijn alleen voor de beantwoording van de eerste vraag, de vraag of het standpunt pleitbaar is, niet van belang. Bij de beoordeling van de tweede vraag, de vraag wanneer bij een pleitbaar standpunt opzet ontbreekt, behoren het weten en het willen of de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans naar mijn mening wel degelijk van belang te zijn. In hoofdstuk 4 wordt hierop teruggekomen.