Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.2.1.3
III.10.2.1.3 Indirecte bevoegdheid tot intrekking
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS380169:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2.26 Wabo jo paragraaf 6.1 Bor.
Art. 2.27 Wabo jo paragraaf 6.2 Bor. De verklaring van geen bedenkingen is in de aangegeven gevallen een voorwaarde voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning.
Art. 2.29 lid 1 tweede volzin onder b Wabo.
Art. 2.29 lid 1 tweede volzin onder a Wabo.
Het tweede lid van artikel 2.29 Wabo spreekt over wijziging van de omgevingsvergunning of de daaraan verbonden voorschriften. Deze terminologie wijkt af van het eerste en tweede lid.
Het betreft een ongewoon voorval waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Het gaat om elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Dit begrip omvat derhalve zowel storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen van de inrichting als ongelukken en calamiteiten. Vgl. ABRvS 2 juni 2004, AB 2004/333 m.nt. Blomberg. I.c. betrof het een brand in een supermarkt. Het bluswater was verontreinigd met bij de brand vrijgekomen stoffen, hetgeen leidde tot bodemverontreiniging.
Het betreft een gebeurtenis die gevolgen kan hebben voor de stabiliteit van een afvalvoorziening dan wel het (dreigen te) ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu.
De artikelen 2.31 en 2.33 Wabo wijzen beide het bevoegd gezag aan als tot wijziging respectievelijk intrekking bevoegd orgaan.1 Toch kunnen ook andere bestuursorganen bij een wijziging of intrekking betrokken zijn. Van belang in dit kader zijn de artikelen 2.29 en 2.32 Wabo.
Op grond van artikel 2.29 lid 1 Wabo heeft een adviseur2 respectievelijk een bestuursorgaan dat bevoegd is in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen3 te geven (het vvgb-orgaan) de mogelijkheid een verzoek tot wijziging van de voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning, dan wel een verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning te doen. De adviseur kan slechts een verzoek tot wijziging of intrekking doen voor zover het de aspecten waarover hij bij de totstandkoming van de omgevingsvergunning advies heeft uitgebracht betreft.4 Het vvgb-orgaan kan slechts een dergelijk verzoek doen voor zover het de activiteiten betreft waarvoor de verklaring is gegeven.5 Op grond van het tweede lid van art. 2.29 Wabo kan ook de minister een verzoek tot wijziging6 indienen ingeval het een omgevingsvergunning voor een inrichting (art. 2.1 lid 1 onder e Wabo) betreft en zich in de inrichting een voorval als bedoeld in art. 17.1 Wm,7 dan wel een gebeurtenis als bedoeld in art. 17.5a Wm8 heeft voorgedaan. Alleen wanneer een vvgborgaan een verzoek tot wijziging of intrekking doet, is het bevoegd gezag verplicht hiertoe over te gaan op grond van respectievelijk art. 2.31 lid 1 onder a Wabo en art. 2.33 lid 1 onder c Wabo.
De minister kan op grond van art. 2.32 Wabo ook zelf tot wijziging overgaan ingeval zich een situatie als bedoeld in art. 2.29 lid 2 Wabo voordoet. Deze bevoegdheid bestaat slechts voor zover er sprake is van spoed, dan wel het bevoegd gezag aan een door de minister op grond van art. 2.29 lid 3 Wabo gedaan verzoek geen gehoor geeft binnen de daarvoor gestelde termijn.