Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.12.1
7.12.1 Inleiding
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS600767:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook in Los Gauchos beperkte de Hoge Raad in verband met de strekking van de norm de kring van functionarissen wier kennis werd toegerekend aan de rechtspersoon; zie par. 7.8.2. De daar toepasselijke norm vereiste geen kwade intentie. Kenmerkend verschil is dat bij de hierna besproken rechtsfiguren de functionaris met de relevante kennis vaak wel zelf in staat zal zijn om de geëigende maatregelen te treffen.
Zie over het verschil tussen eigen kennis van de rechtspersoon en aan de rechtspersoon toegerekende kennis van een functionaris par. 3.2.
227. De in dit hoofdstuk geformuleerde hoofdregel is toegespitst op feitenkennis en deskundigheid. De regel neemt als uitgangspunt dat de persoon met kennis van het relevante feit maatregelen zal treffen om de negatieve consequenties daarvan (voor de rechtspersoon of voor de wederpartij) af te wenden. Laat hij dat na, dan komt dat voor risico van de rechtspersoon. Dergelijke regels gaan uit van een goede intentie van de functionaris: als hij het had geweten, dan zou hij wel maatregelen hebben getroffen. Daarom ligt de focus op de functie van de wetende functionaris: mocht van hem worden verwacht dat hij de noodzaak tot het treffen van maatregelen onderkende? Normen die een kwade intentie (zoals opzet of bewuste roekeloosheid) vereisen om het rechtsgevolg te laten intreden, gaan niet uit van die veronderstelling. Voor het toerekenen van een kwade intentie is de functie van de persoon met de relevante kennis daarom minder relevant. De hoofdregel zal om twee redenen ook maar zelden hoeven worden toegepast op een functionaris met een kwade intentie.
228. Ten eerste verbinden normen die een kwade intentie als voorwaarde stellen, doorgaans geen rechtsgevolg aan het enkele bezit van deze bewustzijnstoestand, maar aan het handelen met een kwade intentie, zoals het toebrengen van schade of het doen van een mededeling bij het verrichten van een rechtshandeling. Daarop kunnen de wetsbepalingen inzake kwalitatieve aansprakelijkheid (art. 6:76 en 6:170 BW) en vertegenwoordiging (art. 3:66 lid 2 BW) worden toegepast.
Ten tweede hebben normen die een sanctie verbinden aan een kwade intentie vaak de strekking om een partij te beschermen: de bescherming ontvalt niet wanneer de partij eenvoudigweg nalatig is, maar pas wanneer die handelt met opzet, bewuste roekeloosheid, grove schuld, enzovoort. Gezien dat uitzonderingskarakter treedt het rechtsgevolg alleen in, indien de kwade intentie aanwezig was bij personen die in zekere zin gelijk te stellen zijn met het bestuur van de rechtspersoon.1 Het moet gaan om functionarissen wier kennis en handelingen gelden als eigen kennis en handelingen van de rechtspersoon.2 Voor twee rechtsfiguren heeft de Hoge Raad dit uitdrukkelijk bepaald; voor een derde wordt dit aangenomen in de literatuur. Het gaat om:
exoneratieclausules: een exoneratieclausule is nietig of een beroep daarop is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar voor zover de clausule aansprakelijkheid uitsluit voor schade die opzettelijk of bewust roekeloos door de schuldenaar is toegebracht;
regres op de veroorzaker van schade: uitkeringsinstanties, sociale verzekeraars en schadeverzekeraars kunnen slechts regres nemen op de werkgever voor hun uitgaven ten behoeve van bijvoorbeeld ziek of arbeidsongeschikt geraakte werknemers, indien het schadeveroorzakende feit te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid van de werkgever;
aantasting van de bescherming van de verzekerde: een verzekeraar is slechts gerechtigd om met een beroep op eigen schuld te weigeren schade te vergoeden indien de verzekerde de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt (art. 7:952 BW).
De toepassing van deze drie rechtsfiguren op rechtspersonen licht ik hierna toe.