Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.2.5:4.2.5 Rechtszekerheid
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.2.5
4.2.5 Rechtszekerheid
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489135:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser-Beekhuis 1975, Zakenrecht. Algemeen deel, nr. 47.
Zie tevens: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/65 en J. Th. Smalbraak, ‘Opstalrecht of appartementsrecht? – Deeleigendom of mandeligheid?’, WPNR 1975/5342.
H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 33.
H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Asser stelt Beekhuis in 1975 dat een te ver gaande versnippering van het eigendomsrecht tot een niet aanvaardbare mate van rechtsonzekerheid zou leiden.1,2
Ploeger stelt de rechtszekerheid een aantrekkelijke verklaring te vinden voor het eenheidsbeginsel.3 Desalniettemin verwerpt hij de rechtszekerheid toch als belangrijkste motief achter het eenheidsbeginsel op grond van twee bezwaren: als eerste stelt hij dat Beekhuis de belangen van de zekerheidsgerechtigden en de beslaglegger noemt, maar dat hier tegenover het belang staat van de leveranciers die onder eigendomsvoorbehoud leveren. De eerste groep is gebaat bij het eenheidsbeginsel, maar de laatstgenoemde groep juist niet. Deze kritiek van Ploeger deel ik. Om die reden heb ik het motief van de gelijkheid van schuldeisers in het bovenstaande afzonderlijk behandeld van de rechtszekerheid. Rechtszekerheid is mijns inziens veel breder dan enkel het belang van zekerheidsgerechtigden en beslagleggers. Wanneer iemand een zaak overgedragen zou krijgen, zou het onwenselijk zijn dat iemand eigenaar kan zijn van een bestanddeel van deze zaak zonder dat dit naar buiten blijkt. Door het eenheidsbeginsel mag men ervan uitgaan dat op dat wat er uitziet als één zaak, ook één eigendomsrecht rust. Anders gezegd: dat als je een zaak in eigendom overgedragen krijgt, je ook eigenaar van de gehele zaak bent. Het eenheidsbeginsel gaat hiermee een versnippering van het eigendomsrecht tegen, zoals ook Beekhuis dat formuleerde. Ploeger bevestigt dit door te stellen: “Rechtszekerheid in het algemeen belang dan? Een goede loop van het maatschappelijk verkeer wordt gediend door duidelijke, kenbare zakenrechtelijke verhoudingen.”4