Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.16.3.3
IV.16.3.3 Aufhebung, Rücknahme en Widerruf
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374117:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 Rn. 14.
Zie meer uitgebreid onder meer Maurer 2011, p. 338 e.v., Detterbeck 2013, p. 249 e.v.
Zie meer uitgebreid Erichsen/Ehlers 2010, p. 720. Een beschikking is bijvoorbeeld onrechtmatig wanneer een wettelijke grondslag ontbreekt, vgl. BVerwGE 16 januari 2007, zaaknr. 6 C 15.06. Bepaalde aan de beschikking klevende gebreken kunnen worden gepasseerd. Zie bijvoorbeeld § 46 VwVfG.
Een beschikking kan ook met terugwerkende kracht onrechtmatig worden. De beschikking wordt dan geacht vanaf het moment van verlening onrechtmatig te zijn geweest. Zie bijvoorbeeld BVerwGE 16 november 1989, bandnr. 84, 111. Aan de echtgenote van een gepensioneerde man werd een financiële tegemoetkoming toegekend. Op een later moment werd haar (tevens) met terugwerkende kracht een pensioen toegekend. Deze toekenning maakte de eerder toegekende tegemoetkoming onrechtmatig. De vrouw had namelijk slechts recht op één van beide tegemoetkomingen. Het Bundesverwaltungsgericht overwoog: ‘Aus der rückwirkende Bewilligung einer Rente aus der gesetzlichen Rentenversicherung an die Ehefrau des Klägers […] ab 1. Dezember 1979 ergab sich nachträglich, aber gleichfalls rückwirkend die teilweise Rechtswidrigkeit der neun Beihilfebescheide. Die Rentenbewilligung führte dazu, daβ von ihrem Beginn an Aufwendungen für die Ehefrau des Klägers nur insoweit beihilfefähig waren, als sie über die zustehenden Leistungen der Krankenkasse hinausgingen […].’ Nu de eerst toegekende tegemoetkoming met terugwerkende kracht onrechtmatig werd, door toekenning van het pensioen, kon de tegemoetkoming dus op grond van § 48 VwVfG worden ingetrokken. Zie hierover meer uitgebreid Schenke/Baumeister 1991, p. 547 e.v.
Zie BT-Dr. 7/910, p. 68 met een verwijzing naar BVerwGE 30 januari 1969, bandnr. 31, 222.
Ten aanzien van duurbeschikkingen bestaat discussie over de vraag of deze ook na verlening onrechtmatig kunnen worden. In de literatuur wordt deze vraag overwegend negatief beantwoord. Zie onder meer Maurer 2011, p. 297, Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG, Rn. 57 en Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG, Rn. 54. Het Bundesverwaltungsgericht lijkt er daarentegen vanuit te gaan dat een duurbeschikking welke op het moment van verlening rechtmatig is, op een later moment onrechtmatig kan worden. Zo werd in BVerwGE 9 mei 2012, NVwZ 2012/1547 overwogen: ‘Ein ursprünglich rechtmäßiger Verwaltungsakt mit Dauerwirkung wird nachträglich rechtswidrig, wenn die Voraussetzungen für seinen Erlass im maßgeblichen Zeitpunkt der Aufhebungsentscheidung infolge einer Änderung der Sach- oder Rechtslage nicht mehr vorliegen.’ Zie voorts BVerwGE 28 juni 2012, NVwZ-RR 2012/933. Een andere situatie doet zich voor wanneer de onrechtmatigheid van de beschikking intreedt na verlening van de beschikking, maar terugwerkt tot het moment van deze verlening. Zie BVerwGE 16 november 1989, bandnr. 84, 111.
Zie ook in die zin de parlementaire geschiedenis bij §§ 48 en 49 VwVfG: BT-Dr. VI/1173, p. 53.
BVerwGE 14 december 1989, NJW 1991/766 en BVerwGE 21 november 1986, NVwZ 1987/498.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 5. Zie voorts Maurer 2011, p. 301, Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 49 VwVfG Rn. 6 en Knack/Henneke 2010, § 49 VwVfG Rn. 14 en 18. Een genuanceerd standpunt wordt ingenomen door Erichsen en Ehlers. Zij stellen dat enkel beschikkingen waarvan kan worden betwijfeld of zij rechtmatig zijn, kunnen worden ingetrokken op grond van § 49 VwVfG. Wanneer vast staat dat de beschikking onrechtmatig is, is naar hun oordeel intrekking op grond van § 49 VwVfG uitgesloten. Zie Erichsen/Ehlers 2010, p. 736.
Zie hierover uitgebreid paragraaf 18.4.
In de §§ 48 en 49 VwVfG worden de termen Rücknahme en Widerruf gebruikt. Beide vallen onder de overkoepelende term Aufhebung.1Aufhebung kan zowel binnen als buiten een bestuursrechtelijke (voor)procedure plaatsvinden. Aufhebung in het kader van een bestuursrechtelijke procedure kan worden onderscheiden in intrekking in de bestuurlijke voorprocedure (§ 68 e.v. VwGO) en vernietiging door de bestuursrechter (§ 113 e.v.VwGO). De §§ 48 en 49 VwVfG zien op de situatie waarin intrekking plaatsvindt los van een bestuursrechtelijke (voor)procedure. Intrekking kan plaatsvinden zowel voor als na het onherroepelijk worden van de beschikking. In beide intrekkingsbepalingen is immers bepaald dat intrekking ook kan plaatsvinden, nadat de betreffende beschikking onherroepelijk is geworden. Wel geldt op grond van § 50 VwVfG een bijzondere regeling voor de situatie waarin een beschikking wordt ingetrokken tijdens een bestuurlijke (voor)procedure. De vertrouwensbescherming die de §§ 48 en 49 VwVfG bieden geldt namelijk niet, wanneer, kort gezegd, een beschikking door een derde tijdig wordt aangevochten, en door de intrekking op grond van § 48 of § 49 VwVfG de bezwaren van de derde worden verholpen.2
In de intrekkingsregeling zoals neergelegd in het VwVfG wordt, zoals eerder aangegeven, een onderscheid gemaakt tussen Rücknahme en Widerruf. Blijkens de tekst van deze bepalingen zit het verschil tussen beide in de (on)rechtmatigheid van de in te trekken beschikking. Van Rücknahme is sprake, indien de in te trekken beschikking onrechtmatig is.3 De beschikking is op enigerlei wijze in strijd met het recht gegeven.4 De (on)rechtmatigheid dient te worden beoordeeld op het moment van verlening van de beschikking.5,6 Van Widerruf is sprake wanneer een rechtmatige beschikking wordt ingetrokken, hetgeen ook blijkt uit de tekst van § 49 VwVfG.7
Ten gevolge van de jurisprudentie van het Bundesverwaltungsgericht is het door de wetgever voorgestane onderscheid tussen Rücknahme en Widerruf in zekere mate vervaagd. Het gerecht heeft namelijk geoordeeld dat onrechtmatige beschikkingen ook op grond van § 49 VwVfG kunnen worden ingetrokken.8 Waar de bevoegdheid tot intrekking op grond van § 48 VwVfG dus beperkt is tot onrechtmatige beschikkingen, kunnen op grond van § 49 VwVfG zowel rechtmatige als onrechtmatige beschikkingen worden ingetrokken, uiteraard voor zover zich een van de in deze bepaling genoemde intrekkingsgronden voordoet. Gelet op deze rechtspraak ziet § 48 VwVfG dus op de intrekking vanwege onrechtmatigheid van de beschikking en § 49 VwVfG op de intrekking anders dan vanwege onrechtmatigheid van de beschikking. In de literatuur wordt wel gesteld dat deze rechtspraak niet bezwaarlijk is, omdat bij Widerruf op grond van § 49 VwVfG aan het vertrouwensbeginsel een (nog) grotere betekenis toekomt dan bij Rücknahme op grond van § 48 VwVfG. De voorwaarden die § 49 VwVfG aan intrekking stelt zijn immers strenger.9
Wanneer de jurisprudentie van het Bundesverwaltungsgericht op dit punt wordt overzien, is dus de conclusie dat onrechtmatige beschikkingen zowel op grond van § 48 als § 49 VwVfG kunnen worden ingetrokken. Onrechtmatige beschikkingen kunnen alleen op grond van § 49 VwVfG worden ingetrokken. Het verschil tussen beide bepalingen lijkt dus niet zozeer te zitten in het type beschikking. Een verschil tussen deze bepalingen zit wel in de temporele werking van de intrekking. Uitgangspunt op grond van § 48 VwVfG is, gelet op de vierde volzin van het tweede lid van deze bepaling, de intrekking ex tunc. Uitgangspunt op grond van § 49 VwVfG is daarentegen de intrekking ex nunc. Een uitzondering op dit laatste uitgangspunt geldt enkel voor de situatie waarin de geadresseerde, kort gezegd, niet in overeenstemming met de beschikking handelt.10