Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.3.3:III.5.3.3 IJkpunt gelijkheid
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.3.3
III.5.3.3 IJkpunt gelijkheid
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451980:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 5 november 2002, appl. no. 48539/99, r.o. 44 (Allan vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 10 maart 2009, appl. no. 4378/02, r.o. 92 (Bykov vs. Rusland) en EHRM 1 februari 2011, appl. no. 23909/03, r.o. 127 (Desde vs. Turkije) en EHRM 25 juni 2013, appl. no. 25333/03, r.o. 111 (Niculescu vs. Roemenië) en EHRM 28 november 2013, appl. no. 25703/11, r.o. 91 (Dvorski vs. Kroatië).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het derde onderdeel van het recht op respect voor menselijke waardigheid is de gelijkheid. Een menswaardige behandeling veronderstelt een gelijke behandeling. Dit houdt ten eerste in dat discriminatie is verboden. Discriminatie is mensonwaardig omdat dat volledig voorbij gaat aan inherente menselijke capaciteiten en daarbij een onderscheid wordt gemaakt op louter irrelevante kenmerken. Naast dat discriminatie mensonwaardig is, is een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling in een proces oneerlijk. Een eerlijke behandeling binnen de strafvordering bevordert (ten minste) twee doelen: het voorkomt gerechtelijke dwalingen (of tenminste probeert deze te voorkomen) en de wil van de aangeklaagde verdachte wordt gerespecteerd.1 Met dit laatste punt wordt (wederom) duidelijk dat deze ijkpunt geen concurrente onderdelen van een menswaardige behandeling zijn maar complementaire en gedeeltelijk overlappende ijkpunten. In dit geval is een gelijke behandeling of een gerechtvaardigde ongelijke behandeling in het strafprocesrecht een procedurele voorwaarde om waardigheid-als-autonomie in de zin van agency in voldoende mate tot uitdrukking te kunnen brengen. Een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is oneerlijk omdat daardoor beide partijen niet dezelfde mogelijkheden wordt geboden om hun standpunten naar voren te brengen. Hierdoor wordt de wil van de partij niet gerespecteerd en kunnen mogelijke gerechtelijke dwalingen in onvoldoende mate worden voorkomen doordat te veel waarde wordt gehecht aan het verhaal van één van de partijen.
Voor de toepassing van de GKT in het bijzonder en opsporingsmethoden in het algemeen in het licht van de menselijke waardigheid betekent het bovenstaande dat de afname van de test geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling mag inhouden. Opsporingsmethoden mogen dus niet discriminatoir worden toegepast op basis van onder andere ras, etniciteit, godsdienst of levensbeschouwing omdat daarmee het idee wordt genegeerd dat alle mensen gelijk zijn omdat zij allemaal dezelfde inherente capaciteiten bezitten. De basis voor de inzet voor een strafvorderlijke bevoegdheid moet worden gevonden in een objectiveerbare, concrete en geïndividualiseerde verdenking tegen een persoon als het gaat om een op het individu gerichte methode (zoals de GKT). Ook hoort op basis van het principe van gelijkheid van wapenen processuele rechten aan de verdediging te worden toegekend. Een bepaalde mate van gelijkheid tussen procespartijen is noodzakelijk zodat ook de verdediging onafhankelijk en eigen afwegingen over hun positie in het proces kunnen maken. Voor de opsporingsfase houdt dit in dat enige vorm van tegenonderzoek mogelijk is of dat onderzoekshandelingen kunnen worden verzocht. Hiervoor is inzage in en analyse van het rapport noodzakelijk. De rapportage dient derhalve zo snel als het opsporingsonderzoek het toelaat aan de verdediging te worden verstrekt. Hierbij maakt waardigheid-als-gelijkheid het mogelijkheid dat de waardigheid-als-autonomie mogelijk wordt gemaakt en wordt bevorderd.