Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.8.1.2.1
3.8.1.2.1 Kwade trouw mede gericht op de onjuiste aangifte of op de onjuiste belastingheffing
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS567440:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt met ingang van 4 mei 1994.
HR 11 juni 1997, BNB 1997/384, r.o. 3.4, herhaald in HR 29 februari 2008, BNB 2008/156, ECLI:NL:HR:2008:BC5346, r.o. 3.5.2.
HR 31 januari 2003, BNB 2003/124, ECLI:NL:HR:2003:AE8092, r.o. 3.3; HR 13 februari 2004, BNB 2004/160, ECLI:NL:HR:2004:AO3643, r.o. 3.1; HR 23 januari 2009, BNB 2009/80, ECLI:NL:HR:2009:BD3566, r.o. 3.4; HR 3 december 2010, BNB 2011/59, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, r.o. 3.4.2.
HR 14 juni 2000, BNB 2000/299, ECLI:NL:HR:2000:AA6204, r.o. 3.4; HR 3 mei 2002, BNB 2002/230, ECLI:NL:HR:2002:AE2262, r.o. 4.3; HR 4 oktober 2002, BNB 2003/84, ECLI:NL:HR:2002:AE8365, r.o. 4.3; HR 20 december 2002, BNB 2003/95, ECLI:NL:HR:2002:AF2262 r.o. 3.3; HR 13 augustus 2010, BNB 2010/296, ECLI:NL:HR:2010:BN3830, r.o. 4.2.1; HR 30 september 2011, BNB 2012/13, ECLI:NL:HR:2011:BT5846, r.o. 3.2.
Ik veronderstel dat kwade trouw, als de onjuiste informatieverstrekking los van de ingediende aangifte heeft plaatsgevonden, mede moet zien op onjuiste belastingheffing. Vergelijk HR 29 februari 2008, BNB 2008/156, ECLI:NL:HR:2008:BC5346, r.o. 3.5.3. Naar mijn mening is kwade trouw in dat geval vergelijkbaar met opzet op de onjuiste belastingheffing, met de onjuiste informatieverstrekking als veroorzakende handeling. Anders: A-G Wattel, conclusie van 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897, r.o. 8.5.
A-G Wattel, conclusie van 16 mei 2008, ECLI:NL:PHR:2009:BD3565, r.o. 3.11: “’s Hof’s oordeel dat van dergelijke kwade trouw geen sprake was, impliceert daarmee het oordeel dat er geen sprake was van opzet (dolus) in de zin van art. 67e AWR.” Anders: G.J. van Leijenhorst in zijn noten onder BNB 2003/95 en BNB 2009/81.
Zoals zojuist in paragraaf 3.8.1.1 opgemerkt, was in de oorspronkelijke versie van het wetsvoorstel voorgeschreven dat de belastingplichtige wist of behoorde te weten dat te weinig belasting werd geheven. In de uiteindelijk na het amendement aanvaarde wettekst is bepaald dat voor navordering geen nieuw feit is vereist als de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.1
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in 1997 bepaald dat kwade trouw moet zien op onjuiste of onvolledige informatieverstrekking.2 Als de onjuiste informatieverstrekking heeft plaatsgevonden door middel van het doen van een onjuiste aangifte moet de kwade trouw daarnaast volgens een aantal arresten zien op de onjuiste aangifte,3 zoals het opzet in art. 67d AWR, en volgens een aantal arresten zien op onjuiste belastingheffing,4 zoals het opzet in art. 67e AWR.5 Eerder in dit hoofdstuk, in paragraaf 3.4.1.4, is uiteengezet dat het voor de invulling van het opzetbegrip weinig verschil maakt of het opzet moet zien op een onjuiste aangifte of op een onjuiste belastingheffing. Hetzelfde geldt naar mijn mening voor kwade trouw.6