Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/3.6.12
3.6.12 Gevolgen voor de organisatie-inrichting
mr. drs. P. Laaper, datum 17-11-2015
- Datum
17-11-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS598749:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Davis 2002, p. 169.
Zie par. 3.6.3.
Een dergelijke verklaring is overigens verplicht op grond van art. 145 Pw
Davis 2002, p. 169.
Meer over rapportages in par. 5.15.3. Die paragraaf ziet op rapportages door dienstverleners, maar grote delen zijn ook relevant bij een interne uitvoeringsorganisatie.
Zie Rb Rotterdam 4 augustus 2011, JOR 2012, 12, m.nt. Affourtit en PJ 2011, 125 m.nt. Kuiper (PME). Een verplichting om de activa “op prudente wijze” te waarderen bestaat op grond van art. 15, lid 4, sub a, Pensioenrichtlijn.
Het oordeel te dien aanzien luidde dat de liquiditeit van de portefeuille niet was gewaarborgd, dat bepaalde derivaten niet waren gebruikt voor risicoreductie of doeltreffend portefeuillebeheer en dat sprake was van een concentratierisico.
Vermoedelijk is het op deze grond dat de rechtbank meende dat PME ook niet voldeed aan de prudentiële eis dat de dekkingsgraad met een zekerheid van 97,5% niet binnen een jaar onder 100% mag komen.
De basis-fee bedroeg 12 miljoen euro. Niettemin betaalde PME, samen met een ander pensioenfonds, 450 miljoen euro voor vermogensbeheersdiensten, hoewel de (overigens externe) uitvoeringsorganisatie de hoogte van het bedrag grotendeels niet kon verantwoorden.
De prudent person-regel richt zich op de kwaliteit van het vermogensbeheer of, zoals Davis het formuleert “internal controls and governance structures in which the authorities may have confidence”.1 Omdat de prudent person-regel een open norm is, stelt dit hoge eisen aan de organisatie-inrichting en, in het bijzonder, aan de deskundigheid van het bestuur.2 Men mag volgens Davis een volledige en duidelijke verklaring inzake de beleggingsbeginselen3 verwachten. Ook vereist de prudent person-regel dat er binnen de organisatie duidelijke beslisbevoegdheden zijn bepaald en gedetailleerde interne richtlijnen voor het vermogensbeheer.4
Het fondsbestuur moet controleren of zijn beleggingsbesluiten correct worden uitgevoerd. Het moet zich daarom laten rapporteren over de actuele samenstelling en het actuele risico-niveau van de portefeuille.5 Zekerheid omtrent de juistheid van de waardering van de individuele beleggingen is daarbij van groot belang.6
Een treffend voorbeeld van de noodzaak om de vinger aan de pols te houden, vormt de PME-casus. PME had een groot aantal complexe en niet-liquide beleggingen met hoge risicoblootstelling op de balans staan. De rechtbank oordeelde dat het fonds diverse prudentiële restricties had overschreden.7 Hij oordeelde verder dat het fonds noch zijn vermogensbeheerder over een betrouwbaar waarderingsmodel voor de complexe beleggingen beschikte. Daardoor was het fonds ook niet in staat om tussentijdse risico-inschattingen te maken.8 Tot slot constateerde de rechtbank dat het fonds geen enkele grip op de kosten van het vermogensbeheer had.9