Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/6.3.3.4
6.3.3.4 Het ontnemen van het vergaderrecht aan het certificaat
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS385305:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De mogelijkheid om de toekenning en ontneming van vergaderrecht ook mogelijk te maken door een besluit van een orgaan sluit aan bij de regeling voor stemrecht van pandhouders en vruchtgebruikers, waarbij de toekenning van stemrecht eveneens buiten de statuten om plaatsvindt (art. 2:197 lid 3 en 2:198 lid 3 BW), zieKamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 82 (MvT).
Kamerstukken II 2011/12, 32 426, nr. 13, p. 1. Daarmee is ook tegemoet gekomen aan kritiek op het oorspronkelijke ontwerp van art. 2:227 lid 4 BW. Van Veen 2008 (2), p. 5, pleitte voor meer flexibiliteit. Hij stelde dat bij de uitgifte van certificaten de wijzigingsbevoegdheid van art. 2:227 lid 4 BW reeds kan worden voorbehouden, zodat de instemmingseis toepassing mist.
Kamerstukken I 2011/12, 31 058 en 32 426, nr. C, p. 7 (MvA I).
In gelijke zin: Portengen 2007, p. 948; Portier 2008, p. 263 en Wouters 2011, p. 239. Anders: Nowak & Van den Ingh 2007, p. 126. Van den Ingh heeft later zijn eerder ingenomen standpunt verlaten en zich aangesloten bij het standpunt van Portengen: zie Van den Ingh 2008, p. 8, noot 30.
In gelijke zin: Portier 2011, p. 51.
Het vergaderrecht kan aan het certificaat worden ontnomen. Art. 2:227 lid 4 BW bepaalt dat het aan certificaathouders bij statuten toegekende vergaderrecht slechts met instemming van die certificaathouder kan worden gewijzigd, tenzij bij het toekennen van het vergaderrecht de bevoegdheid tot wijziging uitdrukkelijk in de statuten was voorbehouden.1 In paragraaf 6.3.3.3 merkte ik op dat er twee manieren zijn om vergaderrecht aan certificaten te verbinden, te weten (i) toekenning bij statuten en (ii) toekenning door een orgaan, dat bij de statuten daartoe is aangewezen. Indien bij de toekenning van het vergaderrecht in de statuten bepaald is dat de regeling kan worden gewijzigd, is het instemmingsvereiste van de betrokken certificaathouder niet van toepassing. Er zijn aldus drie mogelijkheden het vergaderrecht aan het certificaat te ontnemen. Ten eerste, bij statuten is aan het certificaat vergaderrecht toegekend, maar het ontnemen van dat recht of wijziging daarvan is niet voorbehouden. De certificaathouder zal met het ontnemen van het vergaderrecht aan zijn certificaat moeten instemmen. Ten tweede, bij statuten is aan het certificaat vergaderrecht toegekend en het ontnemen van dat recht of wijziging daarvan is in dezelfde statutaire regeling voorbehouden. Het vergaderrecht kan op grond van de tenzij-clausule van art. 2:227 lid 4 BW aan het certificaat worden ontnomen (zonder dat daartoe instemming van de certificaathouder is vereist).2 Dat sluit ook aan bij de systematiek art. 2:232 BW, waarin is bepaald dat wijziging van een bepaling van de statuten, waarbij aan een ander dan aan aandeelhouders van de vennootschap als zodanig enig recht is toegekend, indien de gerechtigde in de wijziging niet toestemt, aan diens recht geen nadeel kan toebrengen, tenzij ten tijde van de toekenning van het recht de bevoegdheid tot wijziging bij die bepaling uitdrukkelijk was voorbehouden. Ten derde, de bevoegdheid tot het toekennen en ontnemen van vergaderrecht is toegekend aan een orgaan van de vennootschap in de zin van art. 2:189a BW. Dat orgaan kan zonder dat daartoe instemming van de certificaathouder is vereist het vergaderrecht aan het certificaat ontnemen: “(…) de vennootschap behoudt hierdoor flexibiliteit in het al dan niet toekennen, wijzigen en ontnemen van vergaderrecht. De certificaathouder weet dat hij voor de toekenning van vergaderrecht afhankelijk is van een besluit van een vennootschapsorgaan, en heeft dus geen statutair recht dat niet zonder diens toestemming kan worden gewijzigd.”3 Daarbij ga ik ervan uit dat zowel de bevoegdheid tot het verbinden als de bevoegdheid tot het ontnemen van het vergaderrecht bij statuten aan het orgaan is toegekend. Deze derde mogelijkheid biedt de meeste flexibiliteit vanuit het oogpunt van de vennootschap en biedt tegelijkertijd de minste waarborgen voor de houder van een certificaat met vergaderrecht.
Theoretisch zou het toekennen aan een orgaan van de vennootschap van de bevoegdheid tot het verbinden van het vergaderrecht en de bevoegdheid tot het ontnemen van het vergaderrecht aan certificaten kunnen worden gesplitst. De parlementaire geschiedenis laat zich over een dergelijke splitsing echter niet uit. In dat geval laten zich meer dan de hiervoor geschetste drie mogelijkheden denken, waarbij in voorkomend geval bij het ontnemen van het vergaderrecht aan het certificaat alsnog instemming van de certificaathouder is vereist. De genoemde splitsing ligt echter niet voor de hand en goede statuten zullen de combinatie van het verbinden en het ontnemen van het vergaderrecht bij één orgaan (in)houden. In dat geval is er mijns inziens geen goede grond te veronderstellen dat bij een dergelijke, gecombineerde statutaire regeling de certificaathouder zou moeten instemmen met het besluit van het orgaan het vergaderrecht aan zijn certificaat te ontnemen. Immers, de bevoegdheid daartoe was de certificaathouder reeds bekend en ligt in de lijn met de tenzij-clausule van art. 2:227 lid 4 eerste volzin BW.4
Het ligt naar mijn mening niet voor de hand dat het ontnemen van het vergaderrecht ook mogelijk is voor bewilligde certificaten waaraan overeenkomstig art. V.2 lid 1 en 6 van het Overgangsrecht bij statutenwijziging vergaderrecht is toegekend en wiens houders op grond van datzelfde overgangsrecht als vergadergerechtigden in het aandeelhoudersregister zijn geregistreerd. Onder het oude recht bestond immers niet de mogelijkheid tot het ontnemen van het vergaderrecht aan bewilligde certificaten. Het zou ertoe leiden dat houders van deze certificaten in hun rechten worden aangetast. Wil de vennootschap toch in zijn algemeenheid in deze mogelijkheid voorzien, dan zullen deze ‘oude’ certificaathouders van deze mogelijkheid in de statuten moeten worden uitgezonderd. Wil de vennootschap ook ten aanzien van de ‘oude’ certificaathouders voorzien in de mogelijkheid tot het ontnemen van het vergaderrecht, dan zullen deze certificaathouders naar mijn mening volgens de hoofdregel van art. 2:227 lid 4 BW met een dergelijke statutenwijziging moeten instemmen.5