Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/5.6.1
5.6.1 De uitbestedingsbeslissing
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS602202:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Ook andere verwachte voordelen kunnen een rol spelen. Federal Reserve Bank of New York 1999, p. 4; en Joint Forum-richtlijnen 2005, p. 6. Het Joint Forum verwijst daarbij naar onderzoek van The Outsourcing Institute (5th Annual Outsourcing index 2004) en naar onderzoek van de ECB in 2004. Beide onderzoeken zijn niet terug te vinden op de websites van de onderzoekende organisaties. Ze stemmen wel overeen met bevindingen in de literatuur (bijv.: De Wit e.a. 1998, p. 26). Het stemt ook overeen met recentere bevindingen van de Duitse toezichthouder BaFin (Konschalla 2013, p. 24).Vergelijk ook de criteria die in aanmerking worden genomen om te bepalen of een abi-beheerder objectieve argumenten hanteert om werkzaamheden uit te besteden (hetgeen voor abi-beheerders een dwingende voorwaarde is om te mogen uitbesteden). Tot deze criteria behoren: (a) optimalisatie van bedrijfsfuncties en -processen, (b) kostenbesparingen, (c) deskundigheid van de dienstverlener, en (d) toegang van de dienstverlener tot mondiale handelsmogelijkheden (art. 76, lid 1, Gedelegeerde AIFMD-verordening). (voetnoot 7).
Vergelijk Rb Rotterdam 4 augustus 2011, JOR 2012, 12, m.nt. Affourtit en PJ 2011, 125 m.nt. Kuiper (PME), waar – onder meer – de door de vermogensbeheerder intern beheerde beleggingsfondsen duurder bleken dan de extern beheerde beleggingsfondsen.
Art. 20, lid 1, sub a en art. 21, lid 11, sub b, AIFMD; art. 22, lid 7, sub b, Icbe-5. In gelijke zin, maar niet bindend en voor banken: art. 18, lid 2, EBA Guidelines on internal governance 2011.
Hierin moeten ook de fiscale gevolgen van uitbesteding worden betrokken.
Bijv. door actief beheer of een betere toegang tot bepaalde deelmarkten.
Wanneer de vermogensbeheerder meerdere vermogens beheert, wordt het mogelijk om een grotere spreiding van dat vermogen over de financiële markten aan te brengen en daarmee het risico verder weg te diversifiëren (zie par. 3.2.2).
Zo zijn pensioenfondsen bijvoorbeeld als regel niet BTW-plichtig. Een gevolg daarvan is dat zij de hen in rekening gebrachte BTW niet kunnen terugvorderen. BTW die in rekening wordt gebracht is dan een kostenpost. Mogelijkheden om bij uitbesteding de kosten aan BTW te beperken, bestaan, maar zijn complex. Zie bijv. De Greef & Merkx 2015 en Vroon 2014.Arbeidsrechtelijk kan een uitbesteding ertoe leiden dat een deel van het personeel andere taken krijgt. Een ander deel gaat mogelijk zelfs over naar de dienstverlener. Daarop is de regeling van de “overgang van onderneming” van toepassing (art. 7:662-666 BW).
Uitbesteding geschiedt met het oog op het behalen van voordelen. Vaak gaat het om een betere kwaliteit van de werkzaamheden, lagere kosten of toegang tot superieure deskundigheid.1 Uitbesteding kent echter ook nadelen. Het brengt een inherent verlies aan “control” mee doordat het pensioenfonds op afstand van de uitvoering komt te staan. Mogelijk leidt het ook tot extra kosten.2 Een beheerste bedrijfsvoering vereist dan ook om eerst een zorgvuldige uitbestedingsbeslissing te nemen, waarbij de verwachte voordelen worden afgezet tegen de nadelen (de “business case”). Voor diverse typen beleggingsinstellingen is dat ook expliciet bepaald.3
Het opstellen van een “business case” impliceert een vergelijking tussen de huidige situatie en de beoogde toekomstige situatie. Die situaties worden vaak aangeduid met de Duitse termen “IST” en “SOLL”. Het pensioenfonds zal dus eerst de status quo moeten bepalen. Wat waren de kosten en het rendement van het vermogensbeheer over de afgelopen jaren? Welke beleggingsstrategie(ën) werd(en) gehanteerd? Hoe waren de beleggingen binnen de portefeuille gespreid over de verschillende beleggingscategorieën. Is eenmaal de status quo bepaald, dan kunnen de uitbestedingsdoelen worden vastgesteld. Bij uitbesteding van het vermogensbeheer komt dat gewoonlijk aan op het verlagen van de kosten,4 het behalen van hogere rendementen5 of op het verkleinen van het beleggingsrisico.6
Bij het bepalen van de (verwachte) toekomstige situatie moet het pensioenfonds een inschatting maken in welke mate die doelen haalbaar zijn. Om een volledig beeld van de toekomstige situatie te schetsen moeten ook andere effecten worden meegenomen. Zo heeft een uitbesteding van het vermogensbeheer vaak ook fiscale of arbeidsrechtelijke gevolgen.7 Daarnaast moet het rekening houden met zijn beheersingsmogelijkheden. Het moet zich bijvoorbeeld afvragen met welke partijen de vermogensbeheerder moet samenwerken, of het een “eigen” custodian wenst, of het onderuitbesteding toe wil laten, hoe de communicatielijnen zullen lopen, of het intern over voldoende deskundigheid beschikt, of de uitbestede werkzaamheden worden meegenomen in de activiteiten van de internecontrolefunctie, etc. Voor het bepalen van de “IST”- en “SOLL”-situaties, moet het pensioenfonds de nodige informatie verzamelen. Wanneer het deze informatie heeft vergaard, kan het een definitieve beslissing nemen.