Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.1:4.1 De verhouding tussen art. 3:4 en 5:3 BW
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.1
4.1 De verhouding tussen art. 3:4 en 5:3 BW
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489134:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
TM, PG Boek 5, p. 72.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waarom kent het Burgerlijk Wetboek eigenlijk een bepaling omtrent bestanddeelvorming? Met andere woorden: waarom zou men zich afvragen of iets bestanddeel is van een andere zaak? Het antwoord op deze vraag is gelegen in de vraag wie eigenaar is. Wanneer men tot de conclusie komt dat iets op grond van art. 3:4 BW een bestanddeel is, dan bepaalt art. 5:3 BW dat de eigenaar van een zaak ook eigenaar is van haar bestanddelen. Om deze reden zijn de artt. 3:4 BW en 5:3 BW onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit blijkt ook uit de Toelichting Meijers bij het huidige art. 5:3 BW, waarin hij stelt:
“In artikel 3.1.1.3. (art. 3:4 BW, PP) is bepaald welk verband er tussen de onderdelen van een zaak moet bestaan, wil men de onderdelen als bestanddelen van het geheel aanmerken. In dit artikel wordt bepaald, dat de eigendom van een zaak eigendom van al haar bestanddelen met zich brengt.”1
De bepaling in art. 5:3 BW, dat een eigenaar van een zaak ook eigenaar is van haar bestanddelen, wordt het ‘eenheidsbeginsel’ genoemd.