Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/9.10
9.10 Beoordeling
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover paragraaf 8.2.7.
Zie paragrafen 2.7, 3.4.3.1 en 8.13 hiervoor. Zie voorts D.G. Baird, The Uneasy Case for Corporate Reorganizations, 15 J. Legal. Stud. 127 (1986); D.G. Baird and R.K. Rasmussen, The End of Bankruptcy, 55 Stanford Law Review 751 (2002); D.G. Baird, Chapter 11 at Twilight, 56 Stanford Law Review 673 (2003); J.S. Moore and V.P. Slusher, Bankruptcy Code section 363-sales: Trends and Opportunities, Westlaw 2007 nr. 9, Norton Bankr. L. Adviser 2; B. Keach, Chapter 11 at the crossroads, Global Turnaround, November 2009. Zie ook G. Moss, Chapter 11 – an English lawyers critique, Insolvency Intelligence 1998, p. 2. Zie ook P. AghionP. Aghion, O. Hart en J. Moore, The Economics of Bankruptcy Reform, 1992, NBER, Working Paper No. 4097, p. 3 die eveneens vaststellen dat het verkopen van de onderneming aan een derde (“sell or liquidate the company”) veelal de voorkeur zal genieten.
Zie voorts O. Couwenberg, Buurmans gras is altijd groener: reflectie op de relatieve efficientie van insolventiesystemen, TvI 2000, p. 127 e.v.; O. Couwenberg, Reorganisatie-obstakels in faillissement, Ondernemingsrecht 2004/223; O. Couwenberg, Survival Rates in Bankruptcy Systems: Overlooking the Evidence, European Journal of Law and Economics 2001, p. 253-273 en O. Couwenberg, N.E.D. Faber & S.C.J.J. Kortmann, De Efficiëntie van de Nederlandse Faillissementswet, Onderzoekscentrum Onderneming & Recht 2001, O. Couwenberg and A. de Jong, Costs and recovery rates in the Dutch liquidation-based bankruptcy system, Eur J Law Econ (2008), 105-127 en Couwenberg and S.J. Lubben, Essential Corporate Bankruptcy Law, Eur. Bus. Org. Law. Rev. (2015), 16:39-61.
Zie wat het Amerikaanse recht betreft o.a. George. W. Kuney, Misinterpreting Bankruptcy Code Section(f) and Undermining the Chapter 11 Process, 76 Am. Bankr. L.J. 235, 242 n.30 (2002) en wat het Engelse recht betreft HC May 9, 2002 House of Commons Standing Committee B (pt 3) at Columns 548-9. Zie hierover ook N.W.A. Tollenaar, Rechter-commissarissen van Nederland: geef ons de pre-pack, TvI 2011/23 par. 4.2 en 5.1.
In Amerika vinden deze going concern activatransacties plaats in de vorm van zogenoemde 363 sales en in England in de vorm van zogenoemde pre-packs. (Niet te verwarren met een Amerikaanse pre-pack waarmee een akkoord en geen activatransactie wordt bedoeld). Zie voor de opkomst en ontwikkeling van 363 sales in de Amerikaanse ook paragraaf 2.7 hiervoor. Zie voor de opkomst van pre-packs in de Engelse praktijk o.a. N.W.A. Tollenaar, Rechter-commissarissen van Nederland: geef ons de pre-pack, TvI 2011/2.
Zie ook N.W.A. Tollenaar, Materiële crediteurenbescherming: een balans tussen juridische en economische bescherming, TvI 2014/31.
Positief aan de Aanbeveling zijn, puntsgewijs:
de introductie van een “light touch” mechanisme om met hold-out crediteuren om te gaan buiten het kader van een meeromvattende formele insolventieprocedure;
geen algemeen moratorium en geen algemene publiciteit;
het debtor-in-possession model zonder verplichte benoeming van een insolventiefunctionaris;
de mogelijkheid van een gerichte schorsingsmaatregel op verzoek;
de korte duur van een mogelijke schorsing;
de nadruk op vroegtijdig ingrijpen;
de nadruk op deformalisering, flexibiliteit, efficiëntie en snelheid (beperkte rechterlijke betrokkenheid en geen schorsende werking van appel).
In de Aanbeveling ontbreken een aantal elementen die niet hadden mogen ontbreken. Het meest opvallend is wellicht dat de Aanbeveling met geen enkel woord rept over de positie van de aandeelhouder. De Aanbeveling spreekt uitsluitend over de herstructurering van “schulden” en de binding van “schuldeisers”. De meest out of the money partij is echter de aandeelhouder. Die zou dan ook als eerste moeten kunnen worden gebonden, althans krachtens rechterlijke beslissing (zie hierover ook paragraaf 4.1). De Impact Assessment en het rapport van INSOL Europe maken evenmin melding van de positie van de aandeelhouder.
Daarnaast had een aanbeveling niet mogen ontbreken dat in geval van insolventie ook anderen dan de schuldenaar de bevoegdheid zouden moeten hebben om een akkoord te aanbieden (zie hierover ook paragraaf 8.3).
Verder zou de Aanbeveling een aanbeveling over overeenkomsten moeten bevatten, in het bijzonder over de buitenwerkingstelling van ipso facto en change of control bepalingen.1
Een belangrijke leemte is dat zinvolle criteria voor cram down ontbreken die de aanspraken van leden van een tegenstemmende klasse op de reorganisatiewaarde en een uitkering in contanten bij liquidatie adequaat waarborgen. Zie verder paragrafen 2.6.4-2.6.6.2, 3.4.4-3.4.7, en 8.9.6-8.9.7 hiervoor.
Een gemis is voorts dat de Aanbeveling de instelling van gespecialiseerde insolventierechtbanken niet stimuleert. Zelfs met de best denkbare regels komt van herstructureringen niets terecht zonder rechters die voldoende deskundig en ervaren zijn.
De Aanbeveling heeft een bredere strekking dan alleen de akkoordprocedure zelf. Zij handelt meer algemeen over de herstructurering van bedrijven in financiële moeilijkheden in een vroegtijdig stadium. Daarin had niet mogen ontbreken een aanbeveling over de versoepeling van het ontslagrecht in geval van financiële problemen en de uitschakeling van de regels over overgang van onderneming bij activatransacties in het kader van (pre-)insolventie.
In dit kader is opvallend dat de Europese Commissie lijkt te veronderstellen dat faillissement altijd leidt tot een piecemeal verkoop en bedrijfsstaking en dat de continuïteit van de onderneming en waardemaximalisatie alleen kan of moet worden gewaarborgd door (een herstructurering) door middel van een akkoord (een “herstructureringstelsel”). De Europese Commissie lijkt er ten onrechte aan voorbij te gaan dat het waarborgen van de continuïteit van de onderneming en het realiseren van de beschikbare waarde vaak evengoed, en bij kleinere onderneming meestal zelfs beter, plaats kan vinden door middel van een “going concern” verkoop van de onderneming in het kader van een liquidatieprocedure (faillissement).23
De verwachting is gerechtvaardigd dat, indien een efficiënte liquidatieprocedure beschikbaar is die going concern verkopen faciliteert, in het overgrote deel van de gevallen een going concern verkoop in het kader van een liquidatieprocedure (nog steeds) de voorkeur zal genieten boven een herstructurering door middel van een akkoord, hoe efficiënt de akkoordprocedure ook is ingericht.
Het is dan ook als een tekortkoming aan te merken dat daar waar de Europese Commissie zich tot doel heeft gesteld om de redding van ondernemingen in financiële moeilijkheden en waarderealisatie te bevorderen zij geen aandacht heeft geschonken aan het verbeteren van de beschikbare liquidatieprocedures en de mogelijkheid om (daarmee) going concern verkopen te realiseren. Gelet op het relatieve belang van liquidatieprocedures ten opzichte van herstructureringsprocedures (zeker voor het MKB segment), zou men verwachten dat de Europese Commissie aan het stroomlijnen van de beschikbare liquidatieprocedures en de technieken om going concern verkopen te realiseren eerste prioriteit zou hebben gegeven. Dit geldt te meer daar de Europese Commissie vooral het oog heeft op ondernemingen in het MKB segment, terwijl herstructureringsprocedures in beginsel voorbehouden zullen blijven aan grotere ondernemingen. Zie ook paragraaf 8.13 hiervoor. Zowel de Amerikaanse Chapter 11 regeling als de Engelse Insolvency Act waren door hun respectievelijke wetgevers uitsluitend bedoeld om akkoorden tot stand te brengen.4 In beide jurisdicties heeft de praktijk echter, met goedkeuring vanuit de rechtspraak, een andere wending genomen en hebben going concern activatransacties (in ieder geval in aantallen) de overhand gekregen.5 Dit is een teken aan de wand. De Europese Commissie lijkt hiervoor een blinde vlek te hebben.
Niettemin, beoordeeld louter op de (pre-insolventie) akkoordprocedure die de Europese Commissie voorstaat, is de Aanbeveling per saldo als positief te beoordelen. De Aanbeveling bevat een aantal belangrijke fundamentele beleidskeuzes die het insolventielandschap in de EU ingrijpend zouden kunnen gaan veranderen. De meest fundamentele keuze is misschien wel de keuze om de rechterlijke betrokkenheid en procedurele waarborgen sterk terug te dringen ten gunste van snelheid, eenvoud en efficiëntie. Ik juich deze keuze toe,6 maar deze keuze stelt wel hoge eisen aan de kwaliteit en integriteit van de spelers. De waarborgen van het systeem zouden dan ook daarop gericht moeten zijn.