Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.4.2:III.6.4.2 Het begrip privacy vanuit filosofisch en positiefrechtelijke perspectief vergeleken
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.4.2
III.6.4.2 Het begrip privacy vanuit filosofisch en positiefrechtelijke perspectief vergeleken
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454381:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na de vergelijking van twee positiefrechtelijke analyses van het recht op respect voor privacy (artikelen 8 EVRM en 10 Gw), waarin is geconcludeerd dat beide regimes sterk overeenkomen en waaruit samen met artikel 1 Sv rechtvaardigingscriteria zijn afgeleid, is de vraag hoe de huidige rechtspraktijk met de theoretische basis van de bescherming van de privacy overeenkomt. In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk is de idee, de totstandkoming en de ontwikkeling van de bescherming van de privacy vanuit filosofisch perspectief belicht. In deze paragraaf wordt het zojuist verdedigde positief rechtelijke analyse van het recht op respect voor privacy vergeleken met de conclusie uit paragraaf 1.6 over de betekenis van het begrip privacy in de rechtsfilosofie. Dit is de tweede vergelijking, die als tussenstap wordt gemaakt, om tot een algemeen toetsingskader te komen.
De door mij gehanteerde tweedeling in theorieën die het bestaan van het recht op respect voor privacy rechtvaardigt en inhoud geeft aan de betekenis en reikwijdte van het recht, vormt de basis voor deze vergelijking. Het gaat dan om privacy-als-geheimhouding en privacy-als-persoonlijkheid. Volgens mij vullen beide theorieën elkaar aan en kan het recht op respect voor privacy niet betekenisvol bestaan zonder combinatie van de twee theorieën. Als voorbeeld voor een samenleving waarin ten eerste de afscherming van de privésfeer ontbreekt, kan de samenleving uit het tijdloze boek 1984 worden gebruikt. Aan de hand van door Big Brother aangestuurde autoriteiten en door technologische ontwikkelingen, zoals de telescreens, hebben burgers in die samenleving geen privéleven in de zin van een afgeschermd, besloten leven. De autoriteiten weten, grof gezegd, alles over iedereen. Aan de andere kant is een volledig afgeschermd of besloten leven ook geen wenselijke situatie. In het begin van dit hoofdstuk heb ik twee films, namelijk Cast Away en Into the Wild, gebruikt om duidelijk te maken wat een besloten (en dus eenzaam) leven met een mens doet of kan doen. De hoofdkarakters in beide films leven voor een langere periode in een afgeschermde, natuurlijke omgeving en hebben geen enkel menselijk contact. Voor de geestelijke, mentale gesteldheid is dat een onprettige ervaring omdat menselijk contact een belangrijk aspect van het privéleven is. Het hoofdkarakter in Cast Away onderhoudt uiteindelijk een ‘vriendschap’ met een volleybal om dit hiaat in te vullen en het hoofdkarakter in Into the Wild schrijft op een gegeven moment in zijn dagboek dat geluk alleen betekenis heeft als het kan worden gedeeld. In de twee meest extreme situaties, enerzijds een volledig publiek leven doordat de autoriteiten alles weten en anderzijds een volledig afgeschermd leven, kan niet (in voldoende mate en op een betekenisvolle wijze) van het privéleven worden genoten. Privacy is dus zowel afscherming als bij een persoon passend
De privésfeer kenmerkt zich door zijn exclusiviteit en beslotenheid. De onderdelen waaruit de persoonlijke levenssfeer bestaan, zijn de fysieke, ruimtelijke en informationele privacy. Een burger heeft een exclusief beschikkingsrecht betreffende zijn lichaam, gedrag en cognitieve capaciteiten, roerende en onroerende goederen en gegevens. De afscherming van de privésfeer is noodzakelijk om de ontwikkeling van de persoonlijkheid te verwezenlijken en het uiting van persoonlijke voorkeuren en ideeën mogelijk te maken. De persoon moet beslissingen over het eigen leven kunnen nemen zonder dwang en op basis van zijn persoonlijkheid, persoonlijke voorkeuren en overtuigingen. Met andere woorden, de afscherming van en de exclusieve beschikking over fysieke, ruimtelijke en informationele privacy maken ‘besluitvormingsprivacy’ mogelijk. Privacy stelt de burger dus in staat om zelf te beslissen. ‘Zelf’ betekent hier zowel onafhankelijk, zonder dwingende invloed van anderen beslissen, als op basis van zijn eigen opvattingen en voorkeuren beslissen.
Kort gezegd, komt de idee van de bescherming van de privacy neer op afscherming van ruimte, lichaam en informatie zodat beslissingen over het eigen leven op basis van persoonlijke voorkeuren kunnen worden genomen. De grondrechtelijke bescherming komt zeer sterk en mogelijk zelfs exact overeen met de hybride afschermings/persoonlijkheidstheorie van de bescherming van de privacy. Zoals in de vorige subparagraaf geconcludeerd vrijwaren artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM de burger van onrechtvaardige inmenging in het privéleven zodat persoonlijke en onafhankelijke beslissingen kunnen worden genomen. Natuurlijk biedt het positieve recht, als aanvulling, specifieke voorwaarden voor een gerechtvaardigde inbreuk op het recht op respect op privacy. Overigens wordt in de filosofie, en zeker in de communitaristische kritiek (zie uitgebreid paragraaf 1.4.4), absolute bescherming van de privacy niet verdedigd.