Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/5.4.2.6
5.4.2.6 Inbreng van (een algemeenheid van) goederen
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS413308:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel voor een Zesde richtlijn van de Raad van 29 juni 1973, COM 73/950, V-N 1973, nr. 18A, blz. 753 e.v.
A.J. van Doesum, ‘BTW bij inbreng in personenvennootschappen?’, TFO 2005/12.
Zie ook HvJ EG 8 februari 1990, nr. C-320/88, BNB 1990/271 (SAFE).
Zie onder meer L.F. Ploeger, noot bij HR 22 mei 1991, nr. 27 135, BNB 1991/241, J.J.P. Swinkels, aantekening bij HvJ EG 29 april 2004, zaak C-77/01 (EDM), FED 2004/533 en A.J. van Doesum, ‘BTW bij inbreng in personenvennootschappen?’, TFO 2005/12.
Zie onder meer HvJ EG 3 maart 1994, nr. C-16/93, BNB 1994/271 (Tolsma), HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-246/08, V-N 2009/58.25 (Commissie/Finland).
Zie in gelijke zin A.J. van Doesum, ‘BTW bij inbreng in personenvennootschappen?’, TFO 2005/12.
Zie in andere zin J.H.M. Arts, ‘Heffing van omzetbelasting bij fusies, splitsingen en interne reorganisaties’, in: De toekomst van de btw (Liber amicorum ter gelegenheid van het emeritaat van prof. Arthur Denie), Deventer: Kluwer 2011, blz. 21.
HvJ EU 1 maart 2012, nr. C-280/10, V-N 2012/17.17 (Kopalnia).
HvJ EU 18 oktober 2012, nr. C-234/11, V-N 2012/56.13 (TETS Haskovo).
Zie in gelijke zin A.J. van Doesum, ‘BTW bij inbreng in personenvennootschappen?’, TFO 2005/12.
Zie paragraaf 4.3.6 in dit verband.
Zie met name hoofdstuk 7 in dit verband, zie in andere zin A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de btw, Deventer: Kluwer 2009, blz. 223.
Of een inbreng van goederen in alle gevallen buiten het toepassingsbereik van de btw plaatsvindt, is een vraag die door het Hof van Justitie niet is beantwoord. Zoals ik in het voorgaande hoofdstuk vaststelde, hield de richtlijngever er bij de introductie van de geruisloze overgang rekening mee dat een inbreng als belastbare prestatie kon worden aangemerkt.1
Op zichzelf kan de inbreng van goederen worden aangemerkt als een levering voor de btw. Immers, de inbrengende persoon draagt de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken over aan de kapitaalvennootschap, of aan (de gezamenlijke vennoten van) een personenvennootschap.2 Het overdragen van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken, constitueert een levering voor de btw op voet van artikel 14 Btw-richtlijn.3 De vraag is echter of die levering ook tot heffing van btw leidt, aangezien voor de belastbaarheid van een levering sprake moet zijn van een bezwarende titel (artikel 2 Btw-richtlijn).
De ‘tegenprestatie’ die een inbrengende partij ontvangt, is een deelgerechtigdheid in de vennootschap. Over het algemeen wordt in Nederland aangenomen dat het verkrijgen van deze deelgerechtigheid of het hieruit voortvloeiende delen in de winst of het verlies van de vennootschap, niet kan worden gezien als de vergoeding voor een prestatie, als gevolg waarvan de inbreng niet onder bezwarende titel wordt verricht.4 In beginsel zal niet kunnen worden betoogd dat een winst- of verliesdeling de werkelijke tegenwaarde vormt van de prestatie van de inbrengende vennoot en in die zin een rechtstreeks verband aanwezig moet worden geacht tussen de verrichte prestatie en een daarvoor ontvangen vergoeding.5 Dit kan eventueel alleen anders zijn indien met betrekking tot de deelgerechtigdheid van de vennoot in de winst van de vennootschap een specifieke afspraak wordt gemaakt, bijvoorbeeld voor het uitkeren van een vast bedrag.6 Van Doesum wijst er terecht op dat het niet in alle gevallen eenvoudig is een onderscheid te maken tussen een zuivere inbreng en een onzuivere inbreng, dat wil zeggen, situaties waarin feitelijk sprake is van leveringen of diensten tegen vergoeding van de vennoot aan de vennootschap. Ook in die gevallen zal echter moeten worden vastgesteld dat een rechtstreeks verband bestaat tussen die vergoeding en de daarvoor ingebrachte goederen of geleverde diensten. Indien naast de uitreiking van aandelen een creditering plaatsvindt, betekent niet dat een vergoeding voor een prestatie moet worden erkend.7
In andere lidstaten lijkt een inbreng sneller tot belastbaarheid voor de btw te leiden. Uit het arrest Kopalnia is op te maken dat een inbreng van een steengroeve voor Poolse btw-doeleinden wordt behandeld als een btw-vrijge-stelde prestatie.8 In dit verband valt ook te wijzen op het arrest TETS Haskovo.9 Uit de feiten van dit arrest blijkt dat onder de Bulgaarse implementatie van de Btw-richtlijn, de inbreng van een onroerende zaak werd aangemerkt als een algemeenheid van goederen. Als gevolg van die toepassing blijft heffing van btw over die inbreng achterwege. Op basis van de tekst van de richtlijn lijkt een dergelijke implementatie mij richtlijnconform. Wel roept het de vraag op of ook omstandigheden kunnen bestaan waaronder een inbreng niet binnen het toepassingsbereik van de Bulgaarse implementatie van artikel 19 Btw-richtlijn valt. De suggestie wordt gewekt dat in een dergelijke situatie in beginsel heffing aan de orde zou zijn.
Naar mijn mening vormt een inbreng van goederen in een vennootschap in beginsel geen levering of dienst onder bezwarende titel. Hieruit kan geconcludeerd worden dat toepassing van artikel 19 Btw-richtlijn in deze situaties zinledig is. Immers, het toepassen van de geruisloze overgang op een transactie die a priori buiten de reikwijdte van de btw valt, lijkt een zinloze exercitie. Hiertegenover staat dat artikel 19 Btw-richtlijn in deze situaties ook kan worden gezien als reikwijdtebepaling, om in ieder geval te voorkomen dat heffing plaatsvindt bij de inbreng van een algemeenheid van goederen, en daarmee voorbij te gaan aan de vraag of die inbreng op zichzelf binnen de reikwijdte van de btw valt.10 In die zin lijkt de richtlijngever de faciliteit in ieder geval ten dele te hebben bedoeld.11 Daarnaast is toepassing van de geruisloze overgang van belang in verband met de indeplaatstreding. Bij toepassing is duidelijk dat de verkrijger voor wat betreft de btw-positie geheel in de rechtspositie treedt van de inbrenger. Naar mijn indruk staat de vraag naar de mogelijke toepassing los van de vraag naar de a priori belastbaarheid van de inbreng.12 Ik ga er dan ook van uit dat ook voor de inbreng van goederen geldt dat het in beginsel te rangschikken is onder de term ‘overgang’ in artikel 19 Btw-richtlijn.