Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/8.3.2
8.3.2 Voortzetting met terugwerkende kracht?
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS389482:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Bijv.: terugwerkende kracht die op grond van de wet wordt toegekend aan vernietiging en bekrachtiging; door de rechter bij art. 6:230 lid 2 BW (HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7675, r.o. 3.4.2, NJ 2004/616) en art. 6:258 lid 1 BW; toerekening met terugwerkende kracht van een winstaandeel aan een BV bij inbreng van een maatschapsaandeel in die BV door de fiscus (bijv. HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3101, r.o. 3.11-3.12). Terugwerkende kracht voor fiscale doeleinden (de situatie waarin de vennootschap materieel nog niet bestond, maar waarin er met terugwerkende kracht gevolgen worden verbonden aan de vennootschapsovereenkomst, waarover Van Kempen, Cursus Belastingrecht IB.3.2.35.B.a2 (online, laatst bijgewerkt op 6 januari 2015) is overigens een uitzondering op het uitgangspunt dat vóór het aangaan van een vennootschapsovereenkomst geen rekening kan worden gehouden met de gevolgen van die overeenkomst, die geldt als de overeengekomen terugwerkende kracht āop zakelijke grondenā berust (HR 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2098, BNB 1997/176, m.nt. P.H.J. Essers). Zakelijke gronden zijn overwegingen die hun oorzaak vinden in de onderneming en niet in bijvoorbeeld huwelijksvermogensrechtelijke voordelen (Hof ās-Hertogenbosch 23 september 1997, V-N 1998/30). In het Besluit van 6 februari 2010, nr. DGB2010/671M, BNB 2010/159, onderdeel 3, is aanvaard dat, zonder dat een zakelijke grond hoeft te worden aangetoond (maar er moet wel een schriftelijke vennootschapsovereenkomst zijn en er mag niet louter incidenteel fiscaal voordeel worden beoogd), een terugwerkende kracht van negen maanden wordt aangehouden tot maximaal de aanvang van het desbetreffende boekjaar. Bij het uittreden van een vennoot kan overigens geen terugwerkende kracht in aanmerking worden genomen, zie Van Kempen, Cursus Belastingrecht IB.3.2.35.B.a2 (online, laatst bijgewerkt op 6 januari 2015).
HR 27 maart 1998, NJ 1998/709, r.o. 3.3.3. In punt 8 van zijn conclusie bij dit arrest merkt A-G Hartkamp op dat terugwerkende kracht niet van invloed kan zijn op zaken die geen keer meer kunnen nemen (zoals het recht op medezeggenschap).
HR 9 december 1953, BNB 1954/343 en HR 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2098, r.o. 3.6, BNB 1997/176, m.nt. P.H.J. Essers. Van een zakelijke grond kan volgens Essers in zijn noot, punt 7, bij het laatste arrest sprake zijn als partijen wensen rekening te houden met activiteiten die een toetredende vennoot in het verleden ten behoeve van de zittende vennoten heeft verricht; de toetreder wordt dan beloond voor in het verleden verrichte activiteiten. De terugwerkende kracht ziet dan volgens Essers niet op het fiscaal erkennen van de vennootschap, maar op het als winst uit onderneming te belasten gedeelte van de aan een vennoot toekomende vennootschapswinst dat is toe te rekenen aan de door die nieuwe vennoot in het verleden ten behoeve van de onderneming verrichte werkzaamheden.
Dat is āeen fictie d.w.z. een constructief hulpmiddel, waarmede men aanduidt, dat voor het vervolg de rechtsgevolgen volkomen gelijk zijn als zij zouden zijn geweest, wanneer het betreffende feit op een vroeger tijdstip had plaatsgevondenā, Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 185-186.
Aanvankelijk was in art. 6.5.3.5 van het Ontwerp Meijers bepaald dat de verklaring van aanvaarding terugwerkt tot het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten, maar van deze gedachte is met het uiteindelijke art. 6:254 BW afgestapt (Van Zeben, Reehuis & Slob, Boek 6 1990, p. 949, 954 en 958-959). Dit is in overeenstemming met het Oude BW, waaronder de Hoge Raad ook had aangenomen dat aanvaarding van een derdenbeding geen terugwerkende kracht heeft (HR 13 februari 1924, NJ 1924, p. 711 (Gouda/Ontvanger)). Ook het Wetsvoorstel personenvennootschappen (art. 823) verleende aan de aanvaarding van opvolging geen terugwerkende kracht, Kamerstukken II 2006/07, 31065, 3, p. 5 (MvT): āIn overeenstemming met hetgeen in het algemeen geldt voor bedingen ten behoeve van een derde, heeft de aanvaarding geen terugwerkende kracht. De door aanvaarding van de opvolging voor de opvolgende vennoot uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen nemen derhalve een aanvang op het tijdstip van de aanvaarding.ā
Wiersma 1970, p. 70.
Van der Steur, GS Verbintenissenrecht, art. 6:254 BW, aant. 2 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 1997).
Hof Amsterdam 11 september 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX7072, r.o. 4.38 (Vervolg De Eglantier).
Van Veen 2011, p. 116.
Van Veen 2005, p. 163, met verwijzing naar HR 7 december 1949, WPNR (4122) 1950, p. 30.
Rb. Arnhem 21 december 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BV1907, r.o. 4.4. Zo ook Rb. Utrecht 28 september 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BT7221, r.o. 4.3 en 4.8.
Van Kempen & Nieskens-Isphording 1997.
Zie hierover Hof Den Haag 30 januari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7737, JOR 2007/66 (PMDC) en bijv. Nethe 2011, Nethe 2004, Nethe 2004-II en Quist 2009.
Aldus de Hoge Raad in HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3677, r.o. 5.2.6, Ondernemingsrecht 2015/10, m.nt. M.J. Kroeze (Rifgat).
HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3677, r.o. 5.3.2 en 5.3.4, Ondernemingsrecht2015/10, m.nt. M.J. Kroeze (Rifgat).
HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3677, r.o. 5.2.7, Ondernemingsrecht 2015/10, m.nt. M.J. Kroeze (Rifgat).
HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3677, Ondernemingsrecht 2015/10, m.nt. M.J. Kroeze (Rifgat).
HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3677, Ondernemingsrecht 2015/10, m.nt. M.J. Kroeze (Rifgat).
HR 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2098, BNB 1997/176, m.nt. P.H.J. Essers.
Bij feitelijke voortzetting na ontbinding kan de vraag rijzen of de bepalingen uit de oude vennootschapsovereenkomst ook de nieuwe vennootschap beheersen. Mijns inziens kan deze vraag bevestigend worden beantwoord (stilzwijgende aanvaarding) als niet is gebleken dat partijen van deze bepalingen hebben willen afwijken, maar niettemin kan rechtsonzekerheid bestaan als een vennoot dit betwist. Zie ook mijn wenk bij Rb. Rotterdam 11 januari 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BV1956, RO 2012/33.
Dat terugwerkende kracht aan een rechtshandeling kan worden toegekend door de wet, door de rechter of door de fiscus staat buiten twijfel.1 Zo heeft de Hoge Raad toegestaan dat aan een cao terugwerkende kracht werd verleend2 en wordt in de fiscale rechtspraak aanvaard dat het aangaan met terugwerkende kracht van een vennootschapsovereenkomst voor de belastingheffing gevolgen kan hebben voor zover de overeengekomen terugwerkende kracht op zakelijke gronden berust.3 Er zijn ook gevallen waarbij de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om terugwerkende kracht te onthouden, zoals bij de wettelijke regeling van de aanvaarding van een derdenbeding (bijvoorbeeld tot aanwijzing van een opvolgend vennoot). De bepaling in art. 6:254 lid 2 BW dat de aanvaarder van een derdenbeding aan de overeenkomst onder omstandigheden ook rechten kan ontlenen over de periode vóór de aanvaarding bedoelt nĆet terugwerkende kracht4 toe te kennen aan de aanvaarding.5
Over de mogelijkheid voor partijen om zelf terugwerkende kracht toe te kennen aan de (voortzetting van de vennootschaps-)overeenkomst wordt als volgt gedacht.
Maeijer6 erkent deze mogelijkheid in elk geval voor de verlengingsovereenkomst in verband met de vennootschapsovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan, aangezien art. 7A:1683 BW niet van openbare orde is. Wiersma7 meent dat toekenning van terugwerkende kracht aan een voortzettingsbeding algemeen wordt aanvaard en Slagter8 wijst er op dat art. 6:254 BW van regelend recht is en dat partijen dus zelf kunnen bepalen of en in hoeverre de aanvaarding van een derdenbeding terugwerkende kracht heeft. Een uitzettingsbesluit met terugwerkende kracht is in het algemeen mogelijk.9 Volgens Van Veen is het uitgangspunt, althans in Boek 2 BW, dat wat niet is verboden is toegestaan.10 Hij meent dat voortzetting van de VOF vanwege het beginsel van contractsvrijheid ook na uittreding nog mondeling, schriftelijk of stilzwijgend kan worden overeen gekomen.11
Daarentegen stond de Rechtbank Arnhem niet toe dat een CV door de vennoten met terugwerkende kracht werd voortgezet door na faillissement van de beherend vennoot en bij ontbreken van een voortzettingsbeding met terugwerkende kracht een ander tot beherend vennoot te benoemen, omdat het contractuele verband (de vennootschap) waarbinnen het benoemingsbesluit werd genomen al niet meer bestond.12 Bij de personenvennootschappen gaat het immers om overeenkomsten en niet om rechtspersonen wier bestaan soms gerekt of nieuw leven ingeblazen kan worden. Volgens Van Kempen en Nieskens-Isphording kunnen partijen zelf geen terugwerkende kracht aan een maatschap toekennen.13
Ten aanzien van rechtspersonen wordt inmiddels algemeen aanvaard dat het rechtsgeldig genomen besluit tot ontbinding door een herroepingsbesluit kan worden herroepen.14 Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet flex-BV valt immers niet af te leiden dat de wetgever herroeping ontoelaatbaar zou vinden: deze mogelijkheid is niet in strijd met de uitgangspunten om aandeelhouders meer vrijheid te geven de onderneming naar eigen inzicht en wensen vorm te geven (met voldoende waarborgen voor de belangen van andere partijen) en om onnodig belemmerende of ineffectieve regels te doen vervallen.15 āEens ontbonden, blijft ontbondenā is als hoofdregel voor de rechtspersoon dus verlaten. Door de herroeping mag echter geen afbreuk worden gedaan aan de rechten en belangen van derden en aan de eisen van de rechtszekerheid, zodat een ontbindingsbesluit onder meer niet kan worden herroepen door een BV die ingevolge art. 2:19 lid 4 of lid 6 BW niet meer bestaat.16 Een herroepingsbesluit kan pas rechtsgevolg hebben als de rechter een daartoestrekkende uitspraak heeft gedaan.17 Kroeze merkt op dat de mogelijkheid van herroeping van een ontbindingsbesluit met daaraan gekoppeld de door de Hoge Raad geformuleerde eisen voor alle privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlands recht van belang is, omdat ontbinding is geregeld in de algemene bepalingen van Boek 2 BW, die in beginsel van toepassing zijn op alle privaatrechtelijke rechtspersonen van het Nederlandse recht.18 Wel meent hij dat rechterlijke tussenkomst te ver gaat bij een informele vereniging, waar schuldeisers immers al de waarborg van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders op grond van art. 2:30 BW hebben.19
Ten aanzien van de VOF is mijns inziens onvoldoende duidelijk of aan een voortzetting terugwerkende kracht kan worden toegekend. Voor de mogelijkheid tot voortzetting met terugwerkende kracht pleiten de contractsvrijheid, het gegeven dat de VOF door het intreden van een ontbindingsgrond weliswaar wordt ontbonden, maar meestal nog niet ophoudt te bestaan en de mogelijkheid tot herroeping van het ontbindingsbesluit bij een rechtspersoon. Tegen de mogelijkheid tot voortzetting met terugwerkende kracht pleit ten eerste dat de wet aan de ontbinding van de VOF rechtsgevolgen verbindt die niet ter vrije beschikking van de vennoten staan. In het bijzonder wijs ik daarbij op het toepasselijk worden van Titel 7 (Gemeenschap) van Boek 3 BW, uit welke titel onder meer rechten voor zaaks- en privƩcrediteuren voortvloeien. Inmiddels kunnen fiscale rechten en verplichtingen zijn ontstaan, die door de toekenning van terugwerkende kracht aan de voortzetting mogelijk niet gewijzigd kunnen worden.20 Ten tweede zijn de vennoten na ontbinding (van rechtswege) van de VOF niet langer vennoten, terwijl alleen vennoten tot voortzetting kunnen besluiten.
Voortzetting van de VOF met terugwerkende kracht kan wenselijk zijn. Zo wordt immers bereikt dat, in gevallen waarin een voortzettingsbeding aanvankelijk ontbrak, gemaakte afspraken blijven gelden21 en contracten worden voortgezet. Crediteuren van de oorspronkelijke VOF blijven crediteuren van de voortgezette VOF. Hoe wenselijk ook, ik neig ertoe om te concluderen dat ons huidige recht geen aanknopingspunten biedt voor de aanvaarding van de voortzetting van een VOF met terugwerkende kracht.