De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.2.5:3.4.2.5 Verhaal bij de maatschap
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.2.5
3.4.2.5 Verhaal bij de maatschap
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS389197:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Er wordt aangenomen dat aan de stille maatschap geen afgescheiden vermogen toekomt. Zie hierover ook Boeve 2015.
Asser/Van Olffen 7-VII*, nr. 108.
HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1182, NJ 1994/301 (Van den Broeke-Van der Linden).
Huizink 2014, p. 31.
Zie ook Mohr &Meijers 2013, p. 195-196.
Tervoort 2015, p. 135.
Asser/Van Olffen 7-VII*, nr. 108.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in de vorige twee paragrafen besproken, kan een crediteur van de maatschap zich, indien een vennootschapsschuld ontstaat, verhalen op zowel het afgescheiden vermogen van de openbare maatschap1 als op het privévermogen van de vennoten.2 Een zaakscrediteur heeft twee samenlopende vorderingen, die onafhankelijk van elkaar kunnen worden ingesteld en verhaald.
Niet kan echter worden gezegd dat de maatschap zelf aansprakelijk is; er kan slechts op haar vermogen worden verhaald. Deze materie verdient een korte toelichting.
Zoals ook hiervoor al aan de orde kwam, heeft de (openbare) maatschap geen rechtspersoonlijkheid, zij is geen entiteit. Dit betekent dat het aanspreken van de maatschap op zichzelf feitelijk niet mogelijk is. Ondanks dat de openbare maatschap geen entiteit is en dus geen eigen rechten of plichten kan hebben of over een eigen vermogen kan beschikken, wordt toch aangenomen dat deze rechtsvorm beschikt over een zogenoemd afgescheiden vermogen. Wat houdt dit afgescheiden vermogen in? ‘Afgescheiden’ betekent in dit kader: afgescheiden van het privévermogen van de vennoten. Vennootschapscrediteuren kunnen zich (hierdoor), met uitsluiting van de privécrediteuren van de vennoten, op dit vermogen verhalen. Bij een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid (een entiteit) is het logisch dat slechts vennootschapscrediteuren verhaal kunnen halen op het vermogen van de rechtspersoon: de rechtspersoon raakt immers zelf gebonden aan deze verbintenis en daarom kan er op zijn vermogen worden verhaald. Andersom geldt dit ook: een rechtspersoon raakt niet gebonden aan een schuld van een vennoot in privé (hij wordt immers niet vertegenwoordigd) en dus kan op zijn vermogen (het vermogen van de rechtspersoon zelf) geen verhaal worden gezocht voor deze privéschuld. Bij een rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de maatschap, ligt dit anders. Bij de maatschap bindt een maat, zoals gezegd, in beginsel slechts zichzelf. Wat betreft het vermogen van de maatschap geldt dat de vennoten ieder een deel van hun privévermogen hebben ingebracht in de zogenoemde vennootschappelijke gemeenschap. Deze gemeenschap wordt gevormd door de inbreng van alle vennoten (zie artikel 7A:1662 BW) en alle vennoten zijn voor een onverdeeld aandeel gerechtigd tot deze gemeenschap. De vennootschappelijke gemeenschap vormt een doelvermogen en kan worden vergeleken met het eigen vermogen van een rechtspersoon: het wordt gebruikt om de doelen van de maatschap te behalen. Omwille van de continuïteit (die niet gewaarborgd zou zijn als de privécrediteuren van de verschillende vennoten steeds bij het door de betreffende vennoot in deze gemeenschap ingebrachte privévermogen zouden kunnen) wordt deze gemeenschap aangemerkt als een gebonden gemeenschap (zie artikel 3:190 BW). Een vennoot kan, tijdens het bestaan van de maatschap, niet over zijn aandeel in de gemeenschap beschikken.3
De gebonden gemeenschap vormt hiermee de voorwaarde voor het bestaan van een afgescheiden vermogen; het zijn als het ware communicerende vaten. Zoals Huizink het mooi verwoordt; de eerste is een conditio sine qua non voor de tweede: zonder gebonden gemeenschap kunnen de vennoten (en dus de privécrediteuren) niet zomaar over hun aandeel in deze gemeenschap beschikken en bestaat er geen afgescheiden vermogen.4
Vennootschapscrediteuren kunnen zich, zoals gezegd, op deze vennootschappelijke gemeenschap verhalen en privécrediteuren niet. Wat betreft het verhaal op het privévermogen van de vennoten staan de privécrediteuren en vennootschapscrediteuren gelijk in rang.5 Het afgescheiden vermogen van de maatschap kan overigens in alle gevallen (waarin de maatschap gebonden is) voor het geheel worden aangesproken.
De wet bevat geen regels over welk vermogen eerst moet worden aangesproken door een vennootschapscrediteur (het afgescheiden vermogen van de maatschap of het privévermogen van de vennoten). Het staat crediteuren vrij te bepalen wie zij als eerste willen aanspreken: de vennootschap of een of alle vennoten. De verbondenheid van de vennoten is dus geen subsidiaire.6 Op grond van de redelijkheid en billijkheid wordt echter aangenomen dat, indien dit toereikend is, eerst op het afgescheiden vermogen van de maatschap moet worden verhaald voordat de vennoten in privé kunnen worden aangesproken.7