Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.5.2
6.5.2 Gebruik voor belaste handelingen
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS414521:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 14 februari 1985, nr. 268/83, BNB 1985/315 (Rompelman), HvJ EG 6 april 1995, nr. C-4/94, V-N 1995, blz. 3030 (BLP), HvJ EG 3 maart 2005, nr. C-32/03, V-N 2005/15.8 (Fini H), HvJ EG 8 februari 2007, nr. C-435/05, BNB 2007/308 (Investrand) en HvJ EU 18 januari 2012, nr. C-26/12, V-N 2013/48.17 (PPG Holdings).
Terra en Kajus wijzen erop dat naar hun idee de tekst van artikel 1 lid 2 Btw-richtlijn op basis waarvan het Hof van Justitie oordeelt dat sprake moet zijn van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen elementen van de kostprijs en de belastbare handeling gebaseerd, voortkomt uit een ongelukkige hertaling van het voorgestelde artikel 2 Eerste richtlijn Hierin is opgenomen: “At each stage in the chain of the production the added-value tax, calculated on the price of the good or service at the rate applicable to such good or service shall be levied after deduction has been made of the amount of added-value tax already levied directly on the various elements that can contribute to price formation.” B. Terra, J. Kajus, A Guide to the European VAT Directives, Amsterdam: IBFD 2012, blz. 486.
HvJ EG 14 februari 1985, nr. 268/83, BNB 1985/315 (Rompelman).
HvJ EG 3 maart 2005, nr. C-32/03, V-N 2005/15.8 (Fini H).
Immers, niet is uitgesloten dat een belastingplichtige kosten maakt die niet hun oorzaak vinden in de economische activiteit, maar in het privéleven van de belastingplichtige.
Zie HvJ EU 18 januari 2012, nr. C-26/12, V-N 2013/48.17, r.o. 26 (PPG Holdings).
Zie HvJ EG 8 februari 2007, nr. C-435/05, BNB 2007/308 (Investrand).
Zie conclusie A-G Overgaauw van 10 april 2007 bij HR 42 863 en 42 868, V-N 2007/25.29, S.T.M. Beelen, Aftrek van btw als (belaste) omzet ontbreekt, Deventer: Kluwer 2010 en A.J. van Doesum en H.W.M. van Kesteren, ‘Aftrek van voorbelasting ter zake van handelingen buiten het kader van de onderneming’, WFR 2011/1465.
Op basis van de Btw-richtlijn (artikel 9 lid 1 jo. artikel 168 Btw-richtlijn) heeft iedere belastingplichtige recht op aftrek van voorbelasting voor zover de voorbelasting betrekking heeft op goederen en diensten die worden gebruikt voor belaste handelingen.
Gezien het feit dat de aftrek van voorbelasting het systematische hart van de btw vormt en de grote samenhang die vraagstukken rondom de aftrek van voorbelasting hebben met de grenzen van de belastingplicht is de uitlegging van deze rechtsnorm van groot belang voor mijn onderzoek. Het door het Hof van Justitie in dit verband ontwikkelde discours is een schoolvoorbeeld van de prudente stap-voor-stap-rechtspraak van het Hof van Justitie. De eerste bouwsteen van de invulling van deze norm door het Hof van Justitie is steeds dezelfde.
In vrijwel iedere uitspraak met betrekking tot de uitleg van artikel 168 Btw-richtlijn herinnert het Hof van Justitie er eerst aan dat:
“[…] de aftrekregeling van de Btw-richtlijn tot doel heeft, de ondernemer volledig te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt derhalve een volstrekt neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat ervan, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de heffing van btw zijn onderworpen”.1
De doelstelling van het volledig ontlasten van de ondernemer van alle door hem in het kader van zijn economische activiteiten betaalde btw vormt de basis van iedere uitlegging over aftrek van voorbelasting. Dit startpunt voor iedere juridische redenering met betrekking tot aftrek geeft naar mijn idee blijk van een principiële lijn, een founding stone en is daarmee richtinggevend. Het uitgangspunt van ‘volledig ontlasten’ leidt ertoe dat het Hof van Justitie steeds zoekt naar mogelijkheden om een belastingplichtige zoveel mogelijk recht op aftrek te gunnen als te rechtvaardigen is binnen het systeem van de btw.
Dit doet het Hof van Justitie door op zoek te gaan naar een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen gemaakte kosten en één of meer handelingen in een later stadium waarvoor een recht op aftrek bestaat. Indien een dergelijk verband kan worden vastgesteld, dient aftrek te bestaan. Ter rechtvaardiging van het vereiste van de rechtstreekse en onmiddellijke samenhang verwijst het Hof van Justitie naar artikel 2 Eerste richtlijn, waarin is bepaald dat enkel de btw die drukt op de onderscheiden elementen van de prijs van een belastbare handeling in een later stadium in aftrek kan worden gebracht.2
Dit betekent bijvoorbeeld dat reeds aftrek van voorbelasting bestaat voor de eerste oprichtingshandelingen (zie ook paragraaf 3.4.2). In dat verband geldt dat eenieder die begint aan zijn onderneming ook reeds voor dat dit leidt tot uitgaande prestaties onder bezwarende titel het privilege van de aftrek toekomt.3 Ook de belastingplichtige die zijn belastbare activiteiten staakt, houdt daarna recht op aftrek van voorbelasting voor kosten die voortvloeien uit de economische activiteit.4 In die gevallen is de invulling van het beginsel rond de aftrek van voorbelasting feitelijk steeds een antwoord op de vraag naar het ontstaan en bestaan van belastingplicht in de btw en naar de vraag of kosten worden gemaakt in het kader van die belastingplicht.5 Tussen de eerste en de laatste ondernemingshandeling geldt dat een belastingplichtige op basis van de rechtspraak van het Hof van Justitie recht heeft op aftrek wanneer een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de gemaakte kosten en één of meer handelingen in een later stadium waarvoor een recht op aftrek bestaat. Dit verband wordt in die gevallen steeds gevonden door het vaststellen van een causaal verband. Wanneer kosten hun oorzaak vinden in de economische activiteit van de belastingplichtige dan behoort aftrek te bestaan.6 Wanneer kosten ook zouden zijn gemaakt zonder de economische activiteit, dan bestaat geen aftrek.7
Vragen met betrekking tot de omvang van het recht op aftrek doen zich voor wanneer een als zodanig handelende belastingplichtige (mede) prestaties verricht die van btw vrijgesteld zijn, of wanneer sprake is van handelingen om niet, of handelingen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen. In die gevallen komt immers de vraag op in hoeverre de door de belastingplichtige gemaakte kosten worden gebruikt voor belaste handelingen.
In de rechtspraak van het Hof van Justitie is een aantal zaken te vinden dat betrekking heeft op de omvang van het aftrekrecht. Deze rechtspraak is grotendeels gebaseerd op de zogenaamde Midland Bank-doctrine.8 In het kader van mijn onderzoek ga ik hierna in op de Midland Bank-doctrine om inzichtelijk te maken op welke wijze het principiële uitgangspunt van het zoveel mogelijk van voorbelasting ontlasten van de belastingplichtige hierin leidend is, en hoe dat principe de vraag naar de toepasselijkheid van de geruisloze overgang op aandelentransacties heeft beïnvloed.